text
Een greep uit de collectie van het Nederlands Politie Museum De meeste mensen zijn verzamelaars. Als bij een verhuizing of aan het eind van een mensenleven zolders, kelders en schuren worden opgeruimd, komen er spullen tevoorschijn waarvan iedereen het bestaan al lang vergeten was. Een groot deel van die spullen belandt uiteindelijk bij het grofvuil. Bij nader inzien blijkt dat veel spullen decennialang voor niks zijn bewaard. Maar dankzij het opruimen komen vaak ook juweeltjes tevoorschijn: een halve cent, een liefdesbrief, een schoolrapport... In het Nederlands Politie Museum heeft dit zich in het groot afgespeeld. Een kwart eeuw geleden bedacht een groepje politiemensen dat het erfgoed van de Nederlandse politie op één plek moest worden samengebracht. Daarmee legden ze het fundament voor de huidige Stichting Studieverzameling het Nederlands Politie Museum. Inmiddels weten zo'n 350 keer per jaar politiemensen, particulieren, medewerkers van overheidsinstellingen en bedrijven het museum te vinden met politiegerelateerd materiaal. Zo werd en wordt in hoog tempo een immense verzameling tot stand gebracht. En net als thuis wist men in het museum met het groeien van de verzameling steeds minder goed wat men eigenlijk bezat. Het werd hoog tijd voor een inhaalactie. Financieel gesteund door zesentwintig politiekorpsen, startte het museum m 2002 met een groot project. Gedurende vier jaar waren meer dan 80 betaalde en vrijwillige medewerkers en stagiaires actief betrokken bij het selecteren, registreren, fotograferen, conserveren en restaureren van de collectie. Uiteindelijk zorgde deze groep ervoor dat de collectiedatabase voor een breed publiek werd ontsloten. Met dit boekje markeren we het voltooien van het project dat de dubbelzinnige naam ZOEK! meekreeg. Dankzij dit project weet iedereen nu wat er zich in de depots van het museum bevindt. Wat daar niet in thuishoorde, is inmiddels afgestoten. Ook het publiek kan kennis nemen van het historisch erfgoed van de Nederlandse politie dat in de museumdepots wordt bewaard. En veel kwetsbare collectieonderdelen zijn weer voor een hele tijd tegen verder verval beschermd. In dit boekje zijn ruim dertig voorwerpen uitgelicht. Net als van alle andere voorwerpen, is in het kader van ZOEK! ook van deze dertig objecten een foto gemaakt. Deze foto dient in de collectiedatabase voor de identificatie van het voorwerp. Een soort pasfoto; met per sé mooi, maar wel functioneel en daar door misschien ook wel weer esthetisch. Deze foto's treft u in dit boekje aan, inclusief het objectnummer. Ook ziet u steeds een kleurenschema en een centimeteraanduiding als ijkpunt voor de kleur en omvang van het object. Bij elke objectfoto in dit boekje is een uitgebreide beschrijving geplaatst. Wie via onze website (v/ww.politiemuseum.nl) op zoek gaat naar de overige meer dan 100.000 voorwerpen, treft meestal minder objectinformatie aan dan bij de voorwerpen in dit boekje. Dat is dan ook een belangrijk doel voor de komende jaren: het aanbrengen van uitgebreide documentatie over onze eigen collectie. Daarmee is het historische erfgoed van de Nederlandse politie pas echt veiliggesteld. Want het gaat niet alleen om de objecten, maar vooral ook om het verhaal achter die objecten. De naam van die vervolgoperatie laat zich raden: ZOEK VERDER. Wat verzamelt het Nederlands Politie Museum? Het verzamelgebied van het Nederlands Politie Museum is in te delen in elf verschillende groepen: Het geheel van personen en organisaties dat in de periode vóór 1815 belast was met de handhaving van de rechtsorde: onder andere baljuws, schouten, schoutsdienaren of ralwacht én daarbij inbegrepen de Franse politie die in de periode 1810-1815 op Nederlands grondgebied actief was. 1. De Nederlandse politie in de West en in de voormalige koloniën, daarbij inbegrepen de Japanse politie tijdens de bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) en de Duitse politie die tijdens de bezetting op Nederlands grondgebied actief was. 3. Politiekorpsen die in het kader van de rijks-/staatspolitiezorg de volledige politietaak uitvoeren: Wapen der Koninklijke Marechaussee tot en met 1945; Korps Rijksveldwacht; Korps Rijkspolitie; Korps Landelijke Politiediensten sinds 1994. 4. Politiekorpsen die in het kader van de gemeentelijke politiezorg met een territoriale beperking de volledige politietaak uitvoeren: Gemeenteveldwacht; Korpsen Gemeentepolitie; Regiopolitiekorpsen sinds 1994. 5. Politiekorpsen die in het kader van de rijks-Zstaatspolitiezorg een beperkte politietaak uitvoeren: Rijksrecherche (Rijksveldwachter-rechercheurs, bijzondere ambtenaren van rijkspolitie, bijzondere ambtenaren van politie); Postale Recherche; Parketpolitie (voor zolang deze een onderdeel was van het Korps Rijkspolitie, Gemeentepolitie en regiopolitie); Koninklijke Marechaussee vanaf 1994. 6 Particuliere of bedrijfspolitiekorpsen die met een territoriale beperking de volledige politietaak uitvoeren en naar het publiek optreden als een geüniformeerd politiekorps Spoorwegrecherche, Spoorwegpolitie 7 Particuliere of bedrijfspolitiekorpsen die met een territoriale beperking een deelpolitietaak uitvoeren en naar het publiek optreden als een geüniformeerd politiekorps Mijnpolitie, Luchthavenpolitie, Schutterijen voor 1907 8 Militaire eenheden die een beperkt aandeel hebben m de handhaving van de rechtsorde m het kader van de bijstandsverlening Korps Politietroepen, Koninklijke Marechaussee 1945-1994, Cavalerie als hulpmarechaussee, 66E Krijgsmacht, BBE Mariniers en AEKL 9 Organisaties die incidenteel of uit tijdelijke noodzaak ten dienste staan van de politie Landwacht Nederland, Hulppolitie, Hulpmarechaussee 10 Overheidsdiensten die een beperkt aandeel hebben m de handhaving van de rechtsorde Bijzondere opsporingsdiensten (zoals FIOD en Economische Controle Dienst, waarbij bijzondere/buitengewone opsporingsambtenaren werkzaam zijn), Toezichtdiensten (zoals de parkeerpolitie, reinigmgspolitie en stadswachten, ook buurttoezichthouders en veiligheidsassistenten genoemd). Particuliere beveiligings- en bewakingsdiensten (met uitzondering van de onder groep 6 en 7 genoemde bedrijfspolitiekorpsen) 11. Buitenlandse politie voor zover deze een vergelijkingswaarde heeft met de Nederlandse situatie of ontwikkeling Wat verzamelt het Nederlands Politie Museum NIET? Goed verzamelen betekent: heldere keuzes maken. In het vorige hoofdstuk is omschreven wat tot het verzamelgebied van het Nederlands Politie Museum wordt gerekend. Toch verzamelen we niet op alle gebieden even actief. Op sommige onderdelen van ons verzamelgebied zijn we zelfs terughoudend. De nadruk bij het verzamelen ligt op politiediensten die in het kader van de overheidspolitiezorg de volledige of gedeeltelijke politietaak uitvoerden/uitvoeren. Kort samengevat: de huidige politiekorpsen en hun erflaters (de groepen 1 t/m 5). Minder actief zijn we op het gebied van particuliere en militaire politiediensten, niet-politiediensten, diensten met een bijzondere handhavingstaak en buitenlandse politie. Op deze gebieden stoten we zelfs af. Een reden kan bijvoorbeeld zijn dat op een dergelijk gebied ook al in een ander museum wordt verzameld. We werken dan ook nauw samen met veel collega-musea. Daarbij gelden twee principes: - Wat in het ene museum al verzameld wordt, hoeft het andere museum niet ook in huis te hebben. - Musea lenen objecten aan elkaar uit, bijvoorbeeld voor exposities. Dit principe wordt in de museale wereld 'collectiemobiliteit' genoemd. Collectiemobiliteit is goed voor de doelmatigheid van musea. Alles wat niet onder de verzameldefinities valt, wo rd t afgestoten. O o k objecten waarvan we een bovenmatig aantal in huis hebben, worden afgestoten. Afstoten gebeurt niet zomaar. Hiervoor heeft het museum tijdens het ZOEK! project een nauwgezet protocol ontwikkeld. Eerst wo rd t zorgvuldig getoetst of een object écht niet in het verzamelgebied past. Dan word t onderzocht of het object past in het verzamelgebied van een ander museum. In dat geval wo rd t het object aan dat museum ter schenking aangeboden. Pas dan wo rd t het object eventueel ter verkoop aan derden aangeboden. Di t laatste komt echter zelden voor. De meeste objecten die niet voor schenking aan een collega-museum in aanmerking komen, worden vernietigd. Deze objecten hebben vaak onvoldoende historische of financiële waarde. Vaak ook gaat het om politiespullen, waarvan het onwenselijk (of zelfs onwettig) is om deze in roulatie te brengen. Wat bezit het Nederlands Politie Museum? Bij het begin van het ZOEK! project was de verwachting dat het museum ongeveer 70.000 objecten bezat. Sinds alles is geregistreerd, is duidelijk dat het er toen 130.000 waren. Daarvan zijn tijdens het project 20.000 objecten afgestoten. De collectie omvat onder andere: Ongeveer 200 meter archief; 20.000 boeken; 20.000 foto's; 20.000 documenten van de prentencollectie van de Amsterdamse politie uit de eerste helft van de vorige eeuw; 2.000 uniformstukken; 300 films; 50 vierwielige voertuigen; enkele tientallen fietsen, brommers en motoren; twee vaartuigen; en enkele tienduizenden overige 'realia', zoals verbindingsmateriaal; technische en detectieapparatuur; kantoorbenodigdheden; verkeersultrusting; recherchehulpmiddelen; straatmeubilair; insignes; beschermingsmateriaal; bewijsmateriaal; relatiegeschenken; kunstvoorwerpen en instructie en voorlichtingsmateriaal. Omdat alles dat nu In de collectie is opgenomen binnen de verzameldefinities valt, zal van de huidige verzameling weinig tot niets meer worden afgestoten. Wel komen er dagelijks nieuwe schenkingen bij. Deze worden uiteraard eerst getoetst aan de verzameldeflnities van het museum. Vallen ze daar binnen, dan worden ze opgenomen in de collectie. De verwachting is dan ook dat de verzameling in de toekomst langzaam zal blijven groeien. Een greep uit de collectie Tuniek en hoed van de Amsterdamse politie (Objeanrs 1027 en 4950) Donkerblauv/e, double-breasted tuniek met hoge boord. Gemaakt van lakenstof, in 1844 behorend to t de uitrusting van de Gemeentepolitie Amsterdam. Opvallend aan de tuniek is dat de twee rijen goudkleurige knopen in een halve boog op de stof zijn genaaid. Van deze tuniek ontbreken twee knopen. Deze zijn wel in een plastic zakje bewaard. De tuniek behoorde waarschijnlijk toe aan een agent genaamd Veldhuis. Bij deze tuniek hoor t de zwarte hoge hoed, gemaakt van leer en gestoomd vilt met koperen korpsembleem uit 1844. Op het opvallende koperen korpsembleem, dat voorop iets onder het midden is aangebracht, zijn twee staande rijksleeuwen te zien. Zij houden het gemeentewapen van Amsterdam onder de ri jkskroon aan weerszijden met beide voorpoten overeind, terwij l zij hun blik - ter verdediging - ieder naar hun eigen kant richten. Boven en onder de afbeelding staan de woorden 'Policie' en 'Amsterdam'. Dit model tuniek bleef tientallen jaren in gebruik. De hoge hoed werd voor de dagelijkse dienst al snel vervangen door een platte pet, maar bleef onderdeel van het 'groot tenue'. Het 'groot tenue' was uitsluitend te dragen op zon- en feestdagen en tijdens bijzondere, ceremoniële gebeurtenissen, zoals een koninklijk bezoek of een begrafenis met korpseer. In 1861 werd de hoge hoed afgeschaft en vervangen door een sjako. De historische foto toon t agent Veldhuis m het uniform — van 1844-1861. De kepie van Bromsnor (Objectnr 1030) Tijdens de kerstvakantie van 1998 werd in het Nederlands Politie Museum de film Swiebertje en Bromsnor 12,5 jaar wertoond in aanwezigheid van mevrouw Riek Schagen. In de televisieserie vervulde zij de rol van Saartje. Vooral de oudere bezoekers van het museum zullen zich de avonturen van Swiebertje, Saartje, Malle Pietje en veldwachter Bromsnor nog goed herinneren. In 1975 verliet vagebond Swiebertje na zestien seizoenen het Nederlandse televisiescherm. Dagblad De Telegraaf maakte melding van de filmvertoning in het museum. Dit resulteerde in een telefoontje van een lezer naar het museum. De beller bood het uniform van Bromsnor te koop aan! Dit bericht sloeg de conservator met verbazing. Enkele jaren eerder immers had de voormalige intendant van het museum, Hans Top, een intensief opsporingsonderzoek ingesteld om het uniform van Bromsnor te achterhalen. Een speurtocht in de rekwisietenafdeling van de NOS te Hilversum leverde niets op. Uiteindelijk wist Top in contact te komen met de familie van de Bromsnor-acteur Lou Geels. Hij vernam dat Lou Geels in het uniform van Bromsnor zou zijn begraven. Geplaagd door twijfels bestudeerde de conservator de in de collectie van het museum aanwezige ansichtkaarten met afbeeldingen van Swiebertje en Bromsnor. Hij ontdekte detailverschillen in het uniform op de foto's. Het leek erop dat er twee sets uniformen gebruikt waren: met afwijkende typen knopen op de uniformjassen, een donkerblauwe pantalon met Nassaublauwe bies én een pantalon met rode bies, zoals deze rond het jaar 1920 bij de Amsterdamse politie werd gedragen. Met spoed bezocht de conservator op 5 januari 1999 de beller, de heer Entjes in Roelofarendsveen, en vergeleek daar de aangeboden uniformdelen met de ansichtkaarten. De details kwamen exact overeen met één set op de foto's: een kepie met goudkleurige band en cocarde; een sluitjas met hoge boord, epauletten, mouwbiezen en een dubbele rij knopen; de fourragère met twee kwasten; een donkerblauwe pantalon met Nassaublauwe bies; de leren koppel met sabeldrager en de sabel met lichtgekromde, Yatagan-achtige kling, S-vormige stootplaat en leeuwenkopgevest. Kortom, de kleding en uitmonste-ring die typisch is voor een gemeenteveldwachter in de eerste decennia van de twintigste eeuw. De heer en mevrouw Entjes bleken buren van de familie Geels te zijn geweest. Zij hadden jaren geleden het uniform met de koppel en sabel van de weduwe Geels gekocht, als carnavalskostuum voor hun zoon. Aangestoken door het enthousiasme van de conservator, besloot de familie Entjes spontaan deze bijzondere realia aan het Nederlands Politie Museum te schenken. Tuniek van liet Korps Politietroepen (Objectnr 10081) De veldgrijze tuniek van lakenstof met opstaande boord is van het reguliere legermodel. De afwezigheid van biezen in de kleur van een bepaald dienstvak of wapen is kenmerkend voor het uniform van de Politietroepen. Het witte sierkoord op de tuniek, de nestel, symboliseert binnen het leger de opsporingsbevoegdheid van de drager. De kleur van de nestel is, vergelijkbaar met die van de marechaussee, gebonden aan ranggroepen: wit voor manschappen, blauw met zilver voor onderofficieren en zilver voor adjudanten en officieren. Door de spiegel of rozet op het nestelkoord aan de schouder, zijn tuniek en nestel te dateren in de periode 1938-1940. Op de ondermouwen van de tuniek zijn witte chevrons met zwarte bies opgenaaid. De chevrons, die in het leger de bijnaam 'bananenschillen' hadden, geven de rang van korporaal aan. Deze tuniek is een schenking van het Marechausseemuseum in Buren, 2002. De Russische Revolutie van 1917 en opstanden in Duitsland na het eind van de Eerste Wereldoorlog, leidden in heel Europa tot enorme bezorgdheid bij de zittende regeringen over het voortbestaan van de gevestigde orde. In Nederland vond er in 1918 een soldatenopstandje plaats op de Harskamp en Pieter Jelles Troelstra preekte de revolutie. De regering vond een strenger toezicht op de gewapende, en dus potentieel gevaarlijke, krijgsmacht geboden. De Koninklijke Marechaussee, opgericht door koning Willem 1 in 1814, was niet alleen belast met het politietoezicht op de krijgsmacht, maar ook met de grensbewaking en de rijkspolitiezorg op het platteland. Deze laatste taak deelde de marechaussee sinds 1858 met een burgerpolitiekorps: de Rijksveldwacht. Vanwege de veelheid aan taken van de marechaussee, werd in 1919 besloten tot de oprichting van extra militaire politie: het Korps Politietroepen. Ook andere maatregelen moesten het risico van een revolutie verkleinen: de Vuurwapenwet van 1919, die het bezit van vuurwapens strafbaar stelde, en de oprichting van de Spoorwegrecherche, om toezicht te houden op verdachte reizigers in internationale treinen. Het Korps Politietroepen verleende militaire bijstand aan politiekorpsen bij 'de beteugeling van woelingen', zoals de Zinkwitstaking te Maastricht in 1929 en het Jordaanoproer te Amsterdam in 1934. De historische foto's tonen een sergeant en korporaal van de Politietroepen in veldtenue met stalen helm, en een bereden korporaal van de Politietroepen tijdens het Jordaanoproer te Amsterdam in 1934. Eerste model Amsterdamse ME-helm (Objectnr 10429) De oproerhelm Schuberth P68 heeft een helmschaal en vizier (gelaatsscherm) van polycarbonaat, een speciale kunststof. Bovendien heeft de helm een neklap van leer met nylon versteviging. De Duitse firma Schuberth, een fabrikant van militaire staalhelmen en industriële veilig-heidshelmen, heeft deze helm ontwikkeld op verzoek van de Duitse politie-instanties. De Gemeentepolitie Amsterdam had in de turbulente jaren zestig veel te stellen met ordeverstoringen door met name de Provobeweging. Na de Telegraafrellen in 1966, had de Mobiele Eenheid van het korps een Paraat Peloton opgericht dat snel inzetbaar was. De ME'ers waren uitgerust met stalen legerhelmen. De bescherming van gezicht en nek liet te wensen over. Bij een nachtelijke confrontatie met stenengooiers tijdens rellen rond de Maagdenhuis bezetting in mei 1969, raakten 28 politiemensen gewond. De chef van de Amsterdamse ME, hoofdinspecteur M.J. Kok, had tijdens een werkbezoek aan de Berlijnse politie de praktische Schuberth-helmen gezien. Er was echter geen budget voor de aanschaf van nieuwe uitrusting. Daarom liet Kok het zand in de kogelvanger van de schietbaan in het hoofdbureau van politie zeven. De kogelresten werden aan een oudijzerhandelaar verkocht. De opbrengst was net genoeg om in september 1969 een partijtje oproerhelmen aan te schaffen! In 1971 werden de oproerhelmen van kunststof landelijk ingevoerd. Uniform van de PROXIMA-missie (Objectnr 10198) Sinds 2001 neemt de Nederlandse politie, al dan niet samen met de Koninklijke Marechaussee, deel aan vredesmissies in voormalige crisisgebieden. De politiemensen worden voor een bepaalde periode uitgezonden om de lokale politie te ondersteunen door opleiden, coachen, trainen, adviseren en toezicht houden. Door de Nederlanders worden geen executieve taken uitgeoefend en zij zijn in beginsel ongewapend. Het Nederlands Centrum voor Internationale Politiesamenwerking (NCIPS) is verantwoordelijk voor het in goede banen leiden van elke uitzending en de selectie en training van het uit te zenden personeel. De vredesmissies zijn initiatieven van de Verenigde Naties (VN) de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Europese Unie (EU). Op dit moment neemt Nederland deel aan vier missies: Cyprus, een VN-missie; Servië-Montenegro, een OVSE-missie; Bosnië, een EU-missie; Macedonië, een EU-missie. PROXIMA, de missie van de Europese Unie in Macedonië, helpt de Macedonische autoriteiten vorm te geven aan een rechtvaardig, efficiënt en multi-etnisch politiekorps. Nederland neemt met negen politiemensen en zes marechaussees deel aan de vredesmissie. De duur van uitzending bedraagt maximaal een jaar. Inspecteur van politie Henri Schipper van het politiekorps Zuid-Holland-Zuid heeft na beëindiging van zijn uitzending in 2005 het PROXIMA-uniform aan ons museum geschonken. Dit uniform Is een gewoon Nederlands politie-uniform met enkele toevoegingen: • blauwe baret en petje met stofembleem van de Europese Unie; • mouwembleem van de politie met daarop extra de Nederlandse vlag en NL; • armband met opschrift EUPOL en PROXIMA; • naamplaatje met opschrift HENRI SCHIPPER PROXIMA POLITIE OFFICIER in Cyrillisch schrift. De tuniek en baret maken deel uit van het geklede tenue dat bij bureauwerkzaamheden en representatieve activiteiten wo rd t gedragen. Tijdens de dagelijkse dienst worden overhemd, eventueel met de blouson, en het informele petje gedragen. De pantalon is voor zowel dagelijks als gekleed tenue. Balgcamera op driepoot (Objectnrs. 1741 en 23039) Balgcamera op houten driepoot voor het fotograferen van verdachten en het vastleggen van de situatie op de plaats van een misdrijf, circa 1910. De portretfotografie is, samen met het afnemen van vingerafdrukken, sinds 1906 een vast onderdeel van het opmaken van het signalement van een verdachte. Een signalementskaart omvat een beschrijving van de fysieke kenmerken van een persoon, diens vingerafdrukken in inkt en twee portretfoto's; één van voren genomen (en face) en één van opzij (en profil). Fotostoel (Objectnr 1691) Houten stoel met draaiplateau ten behoeve van de verdachtenfotografie. De stoel is voorzien van een hoofdsteun en een bordje voor het zaak- en fotonummer. Door de vormgeving van de stoel werd de verdachte gedwongen om rechtop en bewegingsloos te zitten. De wigvormige balkjes op de zitting voorkwamen dat de verdachte kon schuiven en dat door deze beweging de foto's mislukten en er opnieuw gefotografeerd moest worden. Voor de foto en profil werd de stoel een kwartslag gedraaid. Op de rugleuning is een firmaplaatje van de leverancier bevestigd: het Bureau voor Dactyloscopische Artikelen (BVDA) te Amsterdam. Deze firma is nog steeds een belangrijke leverancier van specialistische uitrusting voor de politie. Boek met foto's van internationale misdadigers (Objectnr A258) Het bekendste internationale samenwerkingsverband tussen politiekorpsen is de Internationale Criminele Politie Organisatie, beter bekend onder haar telegraafadres Interpol. Interpol werd in 1923 in Wenen opgericht. Doel van de organisatie is de internationale informatie-uitwisseling tussen politiediensten in de aangesloten landen over grensoverschrijdende criminaliteit. Interpol is een soort doorgeefluik van informatie en kennis in de strijd tegen internationaal georganiseerde misdaad. Het opsporen en aanhouden van de misdadigers bleef, en is nog steeds, een zaak van de nationale en vaak lokale politie. Ten tijde van de oprichting van Interpol beschikten de grote stedelijke politiekorpsen in Nederland al over recherchediensten. Er was echter geen nationale recherchedienst en samenwerking tussen de korpsen onderling was geen vanzelfsprekendheid. Er werden enkele landelijke centrales opgericht en ondergebracht bij de politiekorpsen van Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. In Den Haag was de centrale voor signalementskaarten van Nederlandse criminelen gevestigd. Rotterdam bood onderdak aan de centrale ter bestrijding van verdovende middelen. De landelijke centrale inzake internationale misdadigers werd in 1927 opgericht en ondergebracht bij het Amsterdamse politiekorps. Eén van de taken van deze centrale was het bijhouden van registers van internationale misdadigers, van wie de persoonsgegevens en foto's werden verspreid via Interpol. Het fotoboek van internationale misdadigers is zo'n register. De alfabetische lijst op achternaam, achter in het boek, verwijst naar de fotobladen. Op de honderd fotobladen staan de misdadigers vermeld met voornamen, achternaam, geboorteplaats en geboortedatum, plus een drieledige foto: het hoofd van voren, van opzij, en met hoed of pet. De foto's zijn tussen 1924 en 1930 gemaakt. Meestal staan de namen van de politiekorpsen op de foto vermeld: Wenen, Berlijn, Leipzig, Dresden.. . Traffic Eye-fotostuurunit met Nikon-camera (Objectnr 18978) De foto-unit met camera maakt deel uit van een verkeersradarsysteem voor snelheidsmeting. De radar met stuurunit en flits v^erd gemonteerd op de bumper of ingebouwd in de grill en bumper van een onopvallende surveillanceauto. De foto-unit met camera op het dashboard van de surveillanceauto kon ook met de hand bediend worden. Het systeem bood daarmee de mogelijkheid om, naast snelheidsovertredingen, ook andersoortige misdragingen m het verkeer op de gevoelige plaat vast te leggen en te bekeuren. De unit was rond 1996 nog in gebruik, want de apparatuur is in dat jaar nog geijkt door het Nederlands Meetinstituut. Schenking van de Politieacademie, domein Verkeer en Milieu. De historische foto's tonen enkele in 1979 met het Traffic Eye-systeem vastgelegde overtredingen: lopen op de vluchtstrook en inhalen over een verdrijvingsvlak. Nachtwachtratel (Objectnr. A458) De ratel is samen met de klepper het oudste communicatiemiddel van de politie. Het zijn de typische uitrustingsstukken van de nachtwacht (ook klapwacht of ratelwacht genoemd). De politieorganisatie was vanaf de Middeleeuwen to t m de 19de eeuw slechts kleinschalig en voornamelijk een dagpolitie. Gedurende de nacht en bij grotere ongeregeldheden droegen de schutterijen de zorg voor rust en orde in de stad en vaak ook op het platteland. De schutterijen waren burgerwachten, opgebouwd uit gegoede burgers, want men moest de wapens en uitrusting zelf bekostigen. Het nachtelijke surveilleren ging de gegoede burgers echter al snel vervelen. Zo ontstond de nachtwacht: lieden van allerlei allooi werden tegen een geringe vergoeding geworven voor de taak van nachtpolitie. De nachtwachters doken tijdens hun nachtelijke rondes wel eens een taveerne in en eisten dan een gratis borrelt je voor hun dienst aan de gemeenschap. Hierin vindt de term 'klaploper' zijn oorsprong. Op het platteland was het vervullen van de nachtwachttaak doorgaans een burgerplicht: ieder gezin leverde bij toerbeurt een man voor de nachtwacht. In de steden waren de nachtwachters gewoonlijk in loondienst. In veel steden was het verzuim zo hoog, dat afwezigheid werd beboet en een zieke klepperman zelf voor een vervanger moest zorgen. Soms stuurde een afwezige klepperman zijn vrouw als plaatsvervanger. Een grote stad had wel 100 to t 200 kleppermannen en daarnaast poortwachters of torenwachters. De nachtwachter had als uitrusting een klepper of ratel, een stok of piek, een lantaarn en een sabel. Sommige wachters namen hun hond als waakhond mee op surveillance. Doorgaans beschikte de nachtwacht over één of meerdere wachthuisjes als verzamel- en rustplaats, van waaruit de vaste bewakingsrondes gelopen werden. Plaatselijk waren er verschillen in instructie, taken en werkttijd. In het algemeen begon de diensttijd om tien uur 's avonds. Deze liep door to t drie uur 's ochtends gedurende de zomer en to t vijf uur 's ochtends m de winter. In andere plaatsen werkte de nachtwacht zelfs door t o t tien uur 's ochtends. De klepperman riep ieder uur, nadat de stadsklok geluid had, de tijd om en sloeg dan met zijn klepper of draaide met zijn ratel. Bij onraad, zoals brand of het betrappen van inbrekers, sloeg hij letterli jk alarm door langer en in een ander ritme te klepperen. Net zolang to t burgers te hulp schoten. Tegen het einde van de 19de eeuw verdween het nachtwachtwezen. In Amsterdam werd de nachtwacht in 1878 afgeschaft en ging de politie zelf nachtdiensten draaien. Met de nachtwacht verdwenen ook de ratel en klepper als uitrustingsstukken. De politie vertrouwde op de fluit. Het schelle fluitsignaal was veel verder te horen dan het geratel en geklepper. De fluit bleek een effectief middel om de hulp m te roepen van verderop te voet surveillerende collega's. Morsetelegraaf (Objectnr 4245) Morse-lijntelegraaf uit het Amsterdamse hoofdbureau van politie, 1878-1931. In Amsterdam werd in 1878 een morse-lijntelegraafverbinding aangelegd tussen politie en brandweer en tussen het hoofdbureau van politie en de afdelingsbureaus. De politiemannen die belast werden met de bediening van de morsetoestellen kregen een interne opleiding in het seinen met morsealfabet en seintekens. In 1931 voerde de Amsterdamse politie de voorloper van het telexapparaat in: de Teletype. Uit het Teletype toestel kwam een papierstrook met direct leesbaar schrift in plaats van morsetekens. Buitenlantaarn met drie kleuren glas (Objectnr 16876) Deze elektrische lamp behoort t o t onze collectie Amsterdam: de collectie van het voormalige Politiemuseum Amsterdam. In de oude inventarissen van deze collectie is de lamp niet terug te vinden. Lampen van deze vorm hingen als gevellamp bij de (publieks)ingang van politiebureaus in Amsterdam. In het begin van de twintigste eeuw had het Amsterdamse politiekorps de beschikking over een hoofdbureau van politie, tientallen sectie- en afdelingsbureaus en kleinere posthuizen. De blauwgekleurde glasplaten ontbreken. De kleur blauw stond voor de politie. De glasplaat in de voorzijde en één van de zijkanten van de lamp is diagonaal verdeeld in een geel en een rood vlak. Deze kleuren dienden als aanwijzing voor hulpzoekende burgers. Het rood gaf aan dat er ook een brandspuit en blusmiddelen in het politiebureau voorhanden waren. De kleur geel symboliseerde de aanwezigheid van verbandmiddelen en een raderbrancard. De politiemensen in het bureau traden dus ook op als hulpbrandweermannen en verleners van geneeskundige eerste hulp. De gemeente Amsterdam had in 1874 een beroepsbrandweer ingesteld, maar burgers klopten nog vaak eerst bij de politie aan. Eén van de vele politiebureaus lag vaak dichter bij de brandhaard dan de brandweerkazerne. Pas na 1920 werden in de steden Gemeentelijke Geneeskundige Diensten ingesteld. To t die tijd was óf de brandweer óf de politie belast met het afvoeren van gewonden of mensen die op straat onwel werden. Amsterdamse politiebrandmelder (Objectnr 4250) De gemeente Amsterdam begon in 1927 met de plaatsing van deze brandmelders in de binnenstad. De telefoon was toen nog geen gemeengoed. De brandmelders stelden de burgerij in staat snel de brandweer te alarmeren. Na het indrukken van de alarmknop ging het bovenkastje open en konden burgers via een rechtstreekse lijn de brandweer bellen. Vanaf 1933 was ook de politie op de brandmelders aangesloten. Het tweede telefoonkastje met de lijn naar het hoofdbureau kon echter alleen door politiemensen geopend worden met een sleutel. De politie had daartoe besloten omdat de brandweer veel valse meldingen kreeg. De politieagent op straat kon nu snel assistentie aanvragen. Ook was hij bereikbaar vanaf het hoofdbureau. Als de lamp op de melder knipperde, wist de politieman dat hij het bureau moest bellen. De politiebrandmelder werd echter ook oneigenlijk gebruikt als 'rode brigadier'. De brigadiers van de Centrale Controle (CC) op het hoofdbureau gebruikten de melders namelijk als instrument om te controleren of de diender op straat zijn voorgeschreven surveillanceronde volgens het opgelegde tijdschema liep. Z o niet, dan kon de brigadier de agenten een berisping of boete opleggen, bijvoorbeeld 'wegens het onnodig rekken van een gesprek met een burger'. Na de voltooiing van de mobilofoon- en portofoonnetten voor de politie en brandweer werden de politiebrandmelders in 1971 verwijderd. De politiebrandmelder is door het museum gekocht van een particulier die de brandmelder als ornament in zijn tuin had staan. Telexmachine (Objectnr 4248) Telex met slingertelefoon in kastmeubel. Deze telex was rond 195 I in gebruik bij de Politieverbindingsdienst aan de Maliebaan in Utrecht. Op last van de Duitse bezetter was in 1941 in Den Haag de Technische Verbindingsdienst van de Nederlandse politie opgericht. De dienst kreeg de opdracht een Landelijk Berichten en Alarmerings Systeem (LABAS) op te zetten: een telexnet tussen de politiekorpsen in de steden, en de divisiebureaus van de marechaussee. Vanaf de eindpunten van dit netwerk werden berichten verder telefonisch naar de kleinere gemeenten en politieposten verspreid. In 1943 verhuisde de verbindingsdienst naar Utrecht en was het telexnet operationeel. Aan het eind van de oor log lag het systeem plat. Veel van de apparatuur was verdwenen of door oorlogshandelingen beschadigd. Het telexnet werd opnieuw opgebouwd en de dienst omgedoopt t o t Politieverbindingsdienst (PVD). In 1991 droeg de PVD haar historische collectie over aan het museum. Elektromagnetische dreg van Van Ledden Hulsebosch (Objectnr 4016) In Amsterdam ontdeden plegers van een misdrijf zich van hun wapens of ander belastend bewijsmateriaal door dit in een gracht te gooien. Zoeken naar deze wapens op de vol smurrie liggende bodem van een gracht was onbegonnen werk. Om deze wapens toch van de bodem te halen, vond Van Ledden Hulsebosch een elektromagnetische dreg uit. De dreg bestaat uit een platte bak met magneten erin, die enkele centimeters boven de bodem zweeft. Nadat er spanning op gezet wordt , kleven alle metalen voorwerpen aan de bodem van de dreg en kunnen deze naar boven gehaald worden. Naar het ontwerp van zijn vader bouwde zoon Piet dit model. De dreg is ook daadwerkelijk gebouwd en in 1925 in dienst gesteld bij de Amsterdamse politie. Plakboek van Van Ledden Hulsebosch en kopje (Objectnrs 380004 en 4025) Christiaan Jacobus van Ledden Hulsebosch (1877-1952) studeerde farmacie in Amsterdam en criminologische scheikunde en natuurkunde in Lausanne, Berlijn, Dresden en Wenen. Zijn belangstelling ging uit naar de criminalistiek: het natuurwetenschappelijk onderzoek ten dienste van de opheldering van de toedracht van strafbare feiten. Daarmee trad hij in de voetsporen van zijn vader die apotheker was en een zaak had aan de Nieuwendijk in Amsterdam. In 1910 werd de apotheek een laboratorium voor wetenschappelijk onderzoek voor de industrie, particulieren en justitie. Vier jaar later stichtte Van Ledden Hulsebosch de eerste school voor wetenschappelijk politieonderzoek. De zelfverzekerde verschijning van politiedeskundige Van Ledden Hulsebosch op de plaats van een misdrijf, de handelingen die hij daar met kwast en loep verrichtte en het relaas van zijn bevindingen, grensden voor de plaatselijke veldwachter of dienaar van politie vaak aan magie. De politiedeskundigen uit de vroege twintigste eeuw zijn de grondleggers van het huidige sporenonderzoek van de technische recherche en de forensische wetenschap in het algemeen. Het werk van Van Ledden Hulsebosch vond erkenning en in 1916 werd hij benoemd als adviseur voor technisch-wetenschappelijke recherche bij de Amsterdamse politie. O o k begon Van Ledden Hulsebosch met het aanleggen van een criminologische verzameling. Deze verzameling vormde de grondslag voor het Politiemuseum Amsterdam en indirect ook voor het huidige Nederlands Politie Museum. In deze verzameling bevinden zich ook de plakboeken van Van Ledden Hulsebosch. Hierin verzamelde hij krantenartikelen, brieven en affiches over zichzelf en de zaken waar hij mee bezig was. Eén van die zaken betrof het lijkje van een jongetje dat klaarblijkelijk door niemand werd vermist. Het lijkje spoelde op 17 november 1929 aan bij de Zuiderzeedijk in Amsterdam. Het was door het verblijf in het water en vraat door dieren ernstig verminkt. Van Ledden Hulsebosch maakte door middel van 'polleren' een reconstructie van het gezichtje. Een foto van deze reconstructie verscheen in de krant en er werden affiches van gemaakt. Op die manier werd het kind geïdentificeerd. Getuigenverklaringen leidden tot de aanhouding van een verdachte. De verdachte bekende dat hij het kind had vermoord. De methode die Van Ledden Hulsebosch gebruikte om het kopje te maken, heet 'polleren'. Dit komt van de naam Polier. Alphons Polier (1879-1930) is de uitvinder van een manier van afgietsels maken, waarbij het gips niet hard werd en niet brak. Hij bedacht een nieuwe substantie die hij 'negocoll' noemde en waarvan hij de samenstelling geheim hield. Deze 'negocoll' bracht hij laag na laag aan op het object. De massa bleef elastisch waardoor het verwijderen ervan van het object makkelijk verliep. Van deze methode werd gebruik gemaakt door de politie in veel landen. Model van het posthuis Westermarkt (Objectnr 13288) Na de afschaffing van de nachtwacht te Amsterdam in 1878, moest de politie dag en nacht surveilleren Na klachten over kou en uitputting verrezen er in 1896 houten posthuizen in Zwitserse chaletstijl 31 van deze posthuizen werden op de meest doelmatige plaatsen in Amsterdam geplaatst Een brigadier of een oudere agent trad op als postcom-mandant De posthuizen waren via telefoon en telegraaf, zowel onderling als met de afdelingsbureaus en met het hoofdbureau, verbonden. Het posthuis op de Westermarkt, te zien op de historische foto, is inmiddels gesloopt Het model is gemaakt voor het Politiemuseum Amsterdam In een handgeschreven inventaris van het museum uit 1934 wo rd t het model van het posthuis al genoemd. Het enige overgebleven politieposthuis)e staat op de Nieuwezijds Voorburgwal. Van 1915 to t 1984 deed het dienst als urinoir ' Nu is er een lunchroom gevestigd. Knevelketting (Objectnr 2700638) IJzeren knevelketting met het opschrift 'Ned Wapenmagazijn Haarlem Haag' Deze knevelketting was rond 1935 in gebruik bij de Amsterdamse politie Het Nederlandsch Wapenmagazijn in Haarlem, met een filiaal in Den Haag, was een bekende leverancier van petten, helmen en uitrustingsstukken voor politie en krijgsmacht. In een catalogus van deze firma wordt , onder het hoofdstuk POLITIE-EQUIPMENTEN, dit model knevelketting aangeboden als 'bracelette, model Amsterdam' voor ƒ 0,90 De knevelketting werd vanwege de rozenkransachtige schakelketting ook paterrioster (onze vader) genoemd Knevelkettmgen waren bij de politie populairder dan handboeien zij waren lichter, makkelijker m een jas- of broekzak mee te voeren, en vooral goedkoper dan handboeien. Een paar handboeien kost in dezelfde catalogus ƒ 2,25. Vaandel van het Korps Rijksveldwacht (Objectnr 13165) Het korps Rijksveldwacht is opgericht in 1858. De oorsprong van het vaandel ligt echter veel later. Na de viering van het 75-jarig jubileum van het korps werd een vaandelcomité ingesteld. In 1934 stelde dit comité de minister van Justitie voor om het Korps Rijksveldwacht een vaandel te laten voeren ter bevordering van saamhorigheid en plichtsbesef. De kosten ervan zouden door de leden van het korps zelf gedragen worden. Daaruit bleek 'het groote verlangen, dat er in het korps is om bedoeld vaandel te mogen bezitten'. Nadat de minister zijn goedkeuring had gegeven is het vaandel in 1934 vervaardigd. Het vaandel is gemaakt van gele zijde. Op de voorkant staat het koninklijk monogram W van Wilhelmina, met daarboven de spreuk 'Het Vaderland getrouwe blijf ik tot in den dood', en eronder 'Rijkspolitie'. Op de achterzijde prijken het Rijkswapen en de spreuk 'Je maintiendrai'. Het vaandel werd gebruikt tijdens beëdigingen en andere bijzondere gebeurtenissen. Voorgeschreven werd dat wanneer het vaandel ontplooid werd meegevoerd, de Rijksveldwachters die in uniform waren de eregroet brachten en anderen de burgergroet. Het vaandel werd met de grootste zorgvuldigheid zichtbaar voor een ieder bewaard in de Opleidingsschool van het Korps Rijksveldwacht te Amsterdam, om daar 'een vruchtbare invloed te laten uitgaan op de karaktervorming van de in opleiding zijnde manschappen'. Tijdens de oorlogsjaren is het vaandel verborgen geweest in Zutphen, waarschijnlijk bij de secretaris van het vroegere vaandelcomité. In 1980 werd het vaandel in verwaarloosde toestand gevonden in een kelder van de Verkeersschool van de Rijkspolitie in Bilthoven. Sinds de opening van ons museum in 1991 maakt het vaandel deel uit van de collectie. Opengewerkte instructiemotorfiets BMW R 60 (Objectnr 3800034) Na de Tweede Wereldoorlog begon een sobere periode van opbouw en herstel. Transportmiddelen waren schaars: paarden, fietsen en motormaterieel waren op grote schaal door de bezetter geroofd. Om in de vervoersbehoefte van de politie te voorzien, kocht de Nederlandse overheid overtoll ig rijdend materieel van de geallieerden op: Jeep-terreinwagens en Harley Davidson-motorfietsen van het type W L C Liberator en W L A 45. T o t 1951 ontving Nederland een miljard dollar aan Marshallhulp. In de loop van de jaren vijftig maakten de Amerikaanse motorfietsen plaats voor de Britse Matchless en de Duitse BMW, en zelfs nog enkele modellen van Puch en Horex. To t circa 1960 was er geen sprake van standaardisatie in het motormaterieel bij de Rijkspolitie. Stijgende invoeraccijnzen maakten het importeren van Amerikaanse en Britse motoren minder aantrekkelijk. De boxermotoren uit Beieren zetten zich door en veroverden een groot deel van de politieafzetmarkt. De BMW bleek in aanschaf en onderhoud redelijk geprijsd en betrouwbaar en degelijk in gebruik. Bij de politie waren de BMW-motorf ietsen aanvankelijk zwart van kleur, daarna zwart met w i t en tegen het eind van de jaren zestig geheel wit . De motorf iets, bouwjaar 1955, is geschonken door de Verkeersschool van het Korps Rijkspolitie, die to t 1984 gehuisvest was op het landgoed De Varenkamp te Bilthoven. De motor diende als instructiemodel bij de lessen in voertuig- en motortechniek voor de politiemensen van de verkeersgroepen van de Rijkspolitie. Vanaf 1959 werden op De Varenkamp ook burgerambtenaren geschoold: de technisch controleurs, die deel uitmaakten van de bemanning van de Technische Patrouille Wagens. In die tijd waren verkeersongevallen nog vaak te wijten aan technische gebreken aan voertuigen. Politiecontroles op technisch gebied bleken daarom noodzakelijk. Tegenwoordig is doorgaans het gedrag van weggebruikers de oorzaak van letsel en schade. Wervingsposters van het Korps Rijkspolitie (Objectnrs 9506 en 9509) De wervingsposters van de Rijkspolitie stammen beide uit de periode 1957-1964. Het Bureau Werv ing van het korps bevond zich toen aan de Koningskade in Den Haag. De vormgeving van de posters met de strakke, gezag uitstralende afbeelding van politiemannen en de ferme spreuken 'Rijkspolitie een taak voor mannen' en 'De Rijkspolitie vraagt mannen van de daad', spreekt eigenlijk voor zich. In de afbeeldingen zitten echter nog meer elementen die iets vertellen over het karakter van het Korps Rijkspolitie. Het gestileerde hoofd met politiepet en de politieman in 'op de plaats rust-houding', laten zien dat het korps militaire tucht en gehoorzaamheid hoog in het vaandel heeft staan. De springende granaat met de zeven vlampunten is het korpsembleem van de Rijkspolitie en afgeleid van de emblemen van de Koninklijke Marechaussee en de Staatspolitie tijdens de bezetting. Veel rijkspolitiemannen - het korps is in 1945 opgericht - waren afkomstig uit de Koninklijke Marechaussee, Politietroepen en Staatspolitie. De rijkspolitieman in de springende granaat staat vóór een landelijk tafereel: kerktoren, bomen en huizen. Dé kerneenheden van het Korps Rijkspolitie zijn de landgroepen die het politietoezicht in de kleine, landelijke gemeenten uitoefenen. De landgroepers zagen zichzelf als generalisten - 'allrounders' in het politiewerk. Door hun collega's van de Gemeentepolitie werden zij soms smalend 'koddebeiers' of 'bopo's' (boerenpolitie) genoemd. De gemeentepolitiekorpsen, vooral m de grote steden, waren opgedeeld in specialistische diensten: uniformdienst, verkeer, recherche, kinderpolitie. Voor deze specialisaties waren bijzondere kwaliteiten nodig. In de periode 1953-1964 groeide bij de gemeentepolitiekorpsen het aantal vrouwen in executieve dienst. Zij bleken zeer geschikt voor het aanpakken van de problemen in deze periode: de verkeersveiligheid en 'de verwildering van de jeugd'. De agentes gaven verkeerslessen op scholen. Zij begeleidden verkeersbrigadiertjes, controleerden kroegen en bioscopen op minderjarigen, hielden toezicht in de strafklasjes en deden daarnaast ook steeds meer gewoon het 'mannenwerk'. Pas in 1971 verschenen de eerste rijkspolitievrouwen in uniform op straat. Voor de rangaanduiding was er geen vrouwelijke variant; die bleef gewoon wachtmeester, ongeacht het geslacht van de rijkspolitieambtenaar. Schaalmodel van de politieboot RP 43 (Objectnr 4107) Het schaalmodel is gemaakt op een schaal van 1:25 door Wer ner Winkelmann, Feinmechanischer Modellbau, Hamburg. De echte politieboot RP 43 van de Rijkspolitie te Water is gebouwd bij Van Leest Scheepsbouw BV te Warmond in 1982 en was de eerste uit een serie van zes Schottelboten van dit type. Schottel is de naam van de moederwerf in Duitsland die het systeem van voortstuwing en sturing door een roerpropeller heeft bedacht. De Schottelboten waren lange tijd in dienst van de waterpolit ie vanwege hun unieke roerpropellers. De roerpropellers zijn 360 graden zijdelings draaibaar, waardoor deze vaartuigen een grote mate van manoeuvreerbaarheid hebben. De RP 43 had tot 1998 Nijmegen als thuishaven Daarna v/erd het schip verplaatst naar Amsterdam Daar was het m 2003 nog m gebruik als reserveboot bij de Waterpolitie op het IJ, Noordzeekanaal en aangelegen havens. Waarschijnlijk is het schaalmodel door Van Leest aan de Rijkspolitie te Water geschonken bij de ingebruikname van de RP 43. Chevrolet KIO Scottsdale (Objectnr 3800041) Op 8 juli 2002 arriveer de deze robuuste stationwagen in het museum Het blauwe ME-voertuig, bouwjaar 1988, is een schenking van de facilitaire dienst van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond Van de Chevrolet KIO stationwagon met vierwielaandrijving op een licht truck-chassis, hebben tussen 1980 en 2002 slechts acht exemplaren bij het Rotterdamse politiekorps dienst gedaan Het robuuste, maar snelle en wendbare voertuig werd gebruikt door de Ondersteuningsgroepen (OG's) en Aanhoudmgseenhe-den (AE's) Dit zijn snel en flexibel inzetbare groepen binnen de Mobiele Eenheden De Chevrolet, die zes mensen kan vervoeren, was voor hun zogenoemde hit and run acties bijzonder geschikt. De wagen werd ook ingezet met een trailer met Zodiac-rubberboot wanneer optreden te water nodig was Bovendien kon de KIO door plaatsing van een dubbele hondenkooi in de achterbak, snel aangepast worden voor het vervoer van surveillancehonden en hondengeleiders ter ondersteuning van de Mobiele Eenheden. De Chevrolet KIO is een vierwiel aangedreven variant van de populaire Chevrolet Custom-serie, waarvan 300 exemplaren bij de Rotterdamse politie in gebruik zijn geweest als surveillanceauto tussen 1969 en 1986. De historische foto's laten zien dat er in 1932 ook al Chevrolets in gebruik waren bij de politie Deze Chevrolet truck diende als uitrukwagen voor het vervoer van een detachement van de Amsterdamse politie Detachementen zijn de voorlopers van de Mobiele Eenheden politiemensen die opgeleid zijn voor het optreden bij ernstige ordeverstoringen. Bomverkenningskoffer met uitrusting voor het zoel (Objectnr 1463) De bomverkenningskoffer is vervaardigd in het jaar 2002. De koffer zelf is van het merk Jessop. De inhoud van de koffer bestaat uit een spiegel met telescoopsteel, een spiegel met verlichting, drie rollen tape, een penlamp, een rol kunststof koord en een zaklantaarn. Het reageren op bommeldingen en het preventief zoeken naar bommen bij staatsbezoeken en andere evenementen waarbij het risico van een terroristische aanslag bestaat, is een taak van de politie. De bomverkenners van de politie beoordelen of een aangetroffen verdacht pakket een bom zou kunnen zijn. Het daadwerkelijk onschadelijk maken van de bom gebeurt vervolgens door de specialisten van het Explosieven Opruimingscommando van de Koninklijke Landmacht (EOCKL). De bomverkenningskoffer is een schenking van Handelsonderneming DVH te Putten, 2002. Het skelet van Tonia (Objectnr 182697) In het najaar van 1906 vond een jachtopziener van een groot buitengoed bij Diepenheim een in verre staat van ontbinding verkerend lichaam. Het geraamte lag al uiteen en het hoofd was er afgerold. In een dichtgeknoopte doek bevonden zich enkele kledingsstukken en een brief waaruit de identiteit van het slachtoffer kon worden vastgesteld. Het ging om Tonia Schovers, een arbeidster die in de hooiti jd van boerderij naar boerderij t rok. Niemand had haar als vermist opgegeven. Rond Pinksteren was zij voor het laatst gezien in gezelschap van de in de buurt zeer ongunstig bekend staande stoelenmatter Johannes R. Deze R. was daarna voor werk naar Duitsland vertrokken. Door politieonderzoek kwam vast te staan dat hij een dag voor de ontdekking van Tonia's lichaam op de plaats van het misdrijf was geweest. Inmiddels was hij spoorloos verdwenen. Twee jaar later waagde de verdachte zich echter opnieuw op Nederlandse bodem. R. werd prompt opgepakt, maar ontkende iets met de verdwijning van Tonia te maken te hebben. De zaak kwam in handen van Van Ledden Hulsenbosch, die het deze keer zonder verse sporen moest stellen. In zijn laboratorium onderzocht hij de kledingresten en het opgegraven stoffelijk overschot. Hij kwam to t de conclusie dat Tonia door messteken om het leven was gebracht. De verdachte Johannes R. bleef volhouden van niets te weten. Het onderzoeksteam besloot de onwetendheid van de verdachte over de plaats van de lijkvinding te toetsen. De proef werd uitgevoerd door politiedeskundige Van Ledden Hulsebosch en psychiater Le Rütte, die de plaats delict, een laantje, nog niet kenden. Het gezelschap begon een wandeling aan de bosrand. Van Ledden Hulsebosch en de psychiater flankeerden de verdachte en voelden doorlopend diens polsslag. Een politie-escorte, de officier van justitie en de rechter-commissaris volgden hen op de voet. Van Ledden Hulsebosch beschreef de afloop: 'Telkenmale, wanneer de weg zich splitste of een zijweg had, vertelde de polsslag van Johannes R. mij met zekerheid, hoe ik niet en hoe ik wél had te loopen, om nader bij de gezochte plek te komen.' Aangekomen bij het laantje, verklaarde de politiedeskundige dat het daar gebeurd moest zijn: 'Ik bespeurde het duidelijk aan den polsslag van den arrestant en aan diens ademhaling.' De rechter-commissaris bevestigde, dat het gezelschap zich inderdaad op de plaats delict bevond. De verdachte bleef ontkennen, maar verstrikte zich in leugens. Door alle onderzoeksgegevens samen, werd Johannes R. uiteindelijk veroordeeld voor zware mishandeling de dood to t gevolge hebbend. Hij kreeg hiervoor vijftien jaar gevangenisstraf en stierf in de gevangenis. Uitgehold boek (Objectnr A426) Het uitgeholde boek is voorzien van een adreswikkel met in 1917 te Amsterdam afgestempelde postzegels. Het met inkt geschreven adres is vervaagd. De adreswikkel is doorgesneden om het boek open te kunnen slaan. Het boek is een Regeeringsalmanak voor Nederlandsch-Indié 1899, tweede gedeelte Kalender en Personalia, gedrukt bij de Landsdrukkerij te Batavia. Op de omslag van het boek is een inventarisetiket geplakt van de Criminologische Verzameling Van Ledden Hulsebosch, Am sterdam 1918. Iemand heeft geprobeerd om in het boek peper en spek naar Duitsland te smokkelen. Hij verstuurde het boek m 1917 vanuit Amsterdam als 'aangetekend drukwerk' , maar het boek is in beslag genomen en in 1918 in de verzameling van politiedeskundige C.J. van Ledden Hulsebosch beland. Nederland was tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal. De Engelse regering oefende grote druk uit om te voorkomen dat Nederland vitale goederen naar het Duitse keizerrijk exporteerde. Naarmate de oor log langer duurde, begonnen ook in Nederland zelf tekorten aan grond- en brandstoffen en levensmiddelen te ontstaan. In 1917 waren er m diverse grote steden aardappelrelletjes. De lucratieve smokkel met Duitsland tierde welig. De grensbewaking werd verscherpt om te voorkomen dat het schaarse voedsel over de landsgrenzen verdween. Pot met vingers (Objectnr 4027) In 1919 werd m St. Oedenrode het lijk gevonden van de directeur van de zuivelfabriek. Hij lag met doorgesneden keel naast een opengebroken brandkast waaruit een groot geldbedrag was verdwenen. Er waren aanwijzingen dat er een hevige worsteling had plaatsgevonden. Naast het lijk vond men een bebloede doek en een deel van een scheermes. Getuigen hadden twee 'als heren verklede mannen' gezien die op de stoomtram naar Den Bosch waren gestapt. Eén van de twee was gewond aan gezicht en handen. De twee verdachten werden in Amsterdam gearresteerd, maar ontkenden alle betrokkenheid bij de moord. De hulp van Van Ledden Hulsebosch werd ingeroepen. Hij constateerde dat de wond aan het gezicht van de verdachte J.B. vers was en niet dagen oud zoals de man beweerde. Ook werd de hulp ingeroepen van politiespeurhond Albert. De hoeden van de verdachten werden samen met andere hoeden op een plek gelegd. Vervolgens gaf men Albert de lucht van het gebroken scheermes dat naast het lijk was gevonden. Albert pikte zonder aarzeling de hoed van J.B. uit de stapel. Deze zaak had nog een vreemd staartje: Van Ledden Hulsebosch ontdekte op de plaats delict nog talrijke vingerafdrukken. Hij vergat echter de 'vingers' (politieterm voor vingerafdrukken), van het slachtoffer te nemen. Hij stuurde bericht naar de gemeenteveldwachter van St. Oedenrode met het verzoek om de 'vingers' van het slachtoffer op te sturen. De gemeenteveldwachter nam dit verzoek echter letterlijk en sneed de vingers van het slachtoffer af om deze vervolgens m een pot naar Amsterdam te sturen! Van Ledden Hulsebosch bewaarde de pot met vingers als voorbeeld van de onwetendheid van de plattelandspolitie. Dievenlantaarns uit Java (Objectnr 13047) Twee van de meest curieuze objecten uit onze collectie zijn deze houten lampjes uit Nederlands-lndië. De twee lampjes op een plank zijn een schenking van politiedeskundige Van Ledden Hulsebosch rond 1930 aan het toenmalige Politiemuseum Amsterdam. De plank is zoekgeraakt. De lampjes zouden op Java door inlandse inbrekers gebruikt zijn als dievenlantaarn, met het licht van lichtgevende insecten ('tampat konang' staat in de deksel geschreven). De lampjes zijn voorzien van een uitholling. De bodem daarvan is bedekt met een harsachtige substantie. Waarschijnlijk was dit een kleverige lokstof die vuurkevers (vuurvliegjes) aantrekt. De lichtgevende vuurkevers waren, gevangen en levend, de lichtbron van het lampje. Verbrijzeld schedeldak en moordwapen (Objectnrs 4063 en 4065) Verbrijzeld schedeldak en de eikenhouten knots, waarmee de schedel werd ingeslagen, afkomstig van een moord in Maastricht, circa 1930. Het schedeldak en de knots werden door politiedeskundige Van Ledden Hul-sebosch gebruikt als lesmateriaal voor politiemensen. Hi) verzorgde de cursus 'Eerste optreden op de plaats van een misdrijf voor Amsterdamse dienders en schonk deze bewijsstukken aan het voormalige Politiemuseum Amsterdam (1925-1968). Het Politiemuseum Amsterdam was net als de musea van andere grote politiekorpsen in Europa ontstaan als criminologische instructieverzameling voor de scholing van het eigen personeel. Het politievak leerde men al doende in de praktijk, onder begeleiding van een oudere, ervaren collega. In Nederland is pas in 1962 een landelijke rechercheschool opgericht. Brandkast van Aage M. (Objectnr 18543) Schenking van politie Zeeland 1999. In de jaren zeventig van de vorige eeuw maakte de politie jacht op de zeer succesvolle brandkastkraker Aage M., de man met de thermische lans. Hij pleegde 40 inbraken, vooral in banken en gemeentehuizen, waar hij steeds de kluis wist open te krijgen met een zogenoemde 'thermische lans'; een zeer krachtige snijbrander. Deze thermische lans was een buis met stukjes metaal. Aan de buis werd een handvat bevestigd. De buis werd vervolgens aangesloten op een zuurstoffles en met een klem werd een stroomcircuit gemaakt met het te branden metaal. Bij ontbranding ontstond er zo'n enorme hitte, dat de lans bi|na overal doorheen brandde. Aan de brandkast m onze collectie, een schenking van de Politie Zeeland uit 1999, is dat goed te zien. Door verraad van zijn kompanen werd Aage M. gepakt en opgesloten in het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Op 18 april 1974 wist hij te ontsnappen, kort nadat hij in hoger beroep tot vier en een half jaar cel was veroordeeld. Vier maanden wist Aage M. uit handen van de politie te blijven. Eén van zijn schuilplaatsen vond hij m het huis van een politieagente die voor zijn charmes bezweek. Dit feit haaide de landelijke pers, waardoor de naam Aage M. was gevestigd. Na opnieuw te zijn vastgezet in Leeuwarden, zat Aage M. twee en een halfjaar uit. Hij werd vervroegd vrijgelaten wegens goed gedrag. Aage M. werd gezien als een 'gentleman-boef omdat hij, voor zover men wist, nooit geweld had gebruikt. Mede daardoor werd hij zeer populair. Hij verscheen in het televisieprogramma 'Voor de vuist weg' van Willem Duys en schreef een autobiografie getiteld: 'Mijn nachten met de thermische lans'. Ondanks zijn voornemen op het rechte pad te blijven, ging het al snel weer mis en verbleef Aage M. vaker in de gevangenis dan erbuiten. In 1985 overleed meesterkraker Aage M. op 43-jarige leeftijd. De effectiviteit van de thermische lans had ook op politie en justitie indruk gemaakt. In oktober 1974 gijzelden vier gewapende gedetineerden 22 personen in de strafgevangenis van Scheveningen. Zij verschansten zich in het kerkzaaltje van de strafgevangenis. Mariniers van de Bijzondere Bijstandseenheid overrompelden na vier dagen de gijzelnemers, door zich met een 'thermische lans' toegang te verschaffen tot het vertrek. Typemachine (Objectnr 14012) Op maandagochtend 23 mei 1977 omstreeks 09.00 uur brachten negen gewapende Zuidmolukkers de Intercity-trein Assen-Groningen met de noodrem tot stilstand bij De Punt (gemeente Vries). Zij lieten rond de 40 mensen uitstappen en gijzelden 54 passagiers. De conducteur en machinist v/isten te ontkomen. Tegelijkertijd overvielen vier anderen de Openbare Basisschool in Bovensmilde. Zij lieten 20 Zuidmolukse kinderen naar huis gaan en gijzelden de overige 105 kinderen en vijf leerkrachten. Omstreeks 09.37 uur werden de eerste meldingen over de beide acties op de meldkamer van de Rijkspolitie te Assen ontvangen. Op last van de districtscommandant van de Rijkspolitie werden de nodige afzettingsmaatregelen genomen bij de school, de trein en andere objecten waarvan bijzondere bewaking nodig werd geacht. In Assen diende een BB-bunker als beleidscentrum. De Haagse procureur-generaal, baron Van der Feltz, kreeg de verantwoordeli jkheid in het beleidscentrum. Op het ministerie van Justitie in Den Haag richtte men een crisiscentrum in, waar minister Van Agt de leiding op zich nam. Omstreeks 23.00 uur werd een telefoonverbinding tussen de trein en het beleidscentrum aangelegd. De twee politiemensen die de veldtelefoon naar de trein brachten, kregen een pamflet met de eisen van de Vrije Zuidmolukse Jongeren: vrijlating van 21 Zuidmolukse gevangenen en een vrije aftocht naar het buitenland, en dit binnen 48 uur - anders zouden er slachtoffers vallen. Gelijkluidende brieven arriveerden in de ochtend van 24 mei per post bij de NOS en het ministerie van Justitie. Bemiddelaars zouden niet worden geduld. 'Komen ze toch, dan zullen er dooien vallen', aldus de brieven. In de school verslechterde de gezondheidstoestand van de kinderen snel. Er was een virusziekte uitgebroken. Di t noodzaakte de overvallers om 's nachts en in de ochtend van 27 mei alle kinderen en een leerkracht vrij te laten. Vier onderwijzers bleven in gijzeling. De gesprekken met de gijzelnemers stagneerden. Bij de trein gebeurde voorlopig niets, afgezien van voedseltransporten, schoonmaakbeurten en het hijsen van de Zuidmolukse vlag. Minister Van Agt stond een harde benadering voor. Op 10 juni nam de regering de beslissing om met geweld een einde te maken aan beide gijzelingen. Gedurende de nacht naderden mariniers van de Bijzondere Bijstandseenheid-Mariniers de trein tot op 150 meter afstand. Tegen vijf uur in de ochtend van zaterdag 11 juni vonden verrassingsaanvallen plaats op de school en de trein. Drie M113 pantserrupsvoertuigen van de Koninklijke Marechaussee reden op de school af; één ervan ramde de ingang van de school. Mannen met kogelwerende vesten aan sprongen uit de geopende achterkleppen van de voertuigen. Er ontplofte een granaat waardoor het dak van de ingangshal een stuk omhoog kwam. In een handbeweging werden de vier gijzelnemers in de school overmeesterd. Bij de actie raakte niemand gewond. Onder het gierend lawaai van laag over de trein scherende Starfighters, werd de trein door precisieschutters van de Bijzondere Bijstandseenheid van de krijgsmacht zwaar onder vuur genomen. Bij de zeven minuten durende beschieting vielen acht doden: zes treinkapers en twee gegijzelde passagiers; een andere passagier raakte gewond. Toen het schieten ophield, bestormden mariniers de trein, bliezen de deuren open en sprongen naar binnen. Bij het daarop volgende vuurgevecht raakten één van de drie andere Zuidmolukkers, vijf passagiers en twee mariniers gewond. De tot dan toe langdurigste groepsgijzeling in vredestijd ter wereld (452 uur) was voorbij . De overrompelingsacties duurden een kwartier. De inzet van overheidspersoneel bij de gijzelingen van De Punt en Bovensmilde was enorm: 1.400 politiemensen, 260 militairen van de marechaussee, 170 mariniers, 1.900 militairen van de landmacht en 250 militairen van de luchtmacht. Na afloop van de gijzelingen werden huiszoekingen verricht bij van betrokkenheid verdachte personen. Op één van de doorzochte adressen troffen rechercheurs de typemachine aan waarop de ultimatums waren getypt. Het district Assen van de Rijkspolitie schonk de typemachine aan het museum. Colofon Samenstelling en redactie: Sjan Breukers-Drost Jos Breukers Taco Pauica Actuele fotografie: Serge Pannekoek Nico van Egteren Henk Schut Martien Slaats Collectiefoto's: Fotoploeg van het collectieproject ZOEK!, 2002-2006 Tekstcorrectie: Sisters at Work , Zaltbommel Druk, grafische verzorging en advertentieacquisitie: Elma Multimedia B.V. Postbus 18, 1720 AA Broek op Langedijk Keizelbos I, 1721 PJ Broek op Langedijk Tel.: (0226) 33 16 00 Fax: (0226) 33 16 01 E-mail: info@elma.nl Website: www.elma.ni © NPM 2006 Nederlands Politie Museum Postbus 3008 7303 GE Apeldoorn Tel.: (055) 543 06 91 E-mail: nederlands@politiemuseum.nl www.polit iemuseum.nl