text
Brand in Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw in full colour Een ingekleurd slangbrandspuitenboek van Jan van der Heyden c.s. in zijn context geschetst Louis Ph. Sloos De eerste prent in het slangbrand spuitenboek, met daarop links de oude brandspuit en rechts de nieuwe met slang en slangpomp of aanbrenger, die de slangbrandspuit ook door middel van een slang met water voedde. Hier moet de slangpomp nog met emmers worden gevuld. Handgekleurde gravure van en naar (toegeschreven aan) Jan van der Heyden, circa 16901735. Alle afbeeldingen, tenzij anders aan gegeven: Korpora. Erfgoed Publieke Veiligheid, Apel doorn. 63Brand in Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw in full colour Louis Sloos Het blussen met brandemmers is heel lang in gebruik geweest, zelfs nog zeer geruime tijd na de uitvinding van de eerste types brandspuiten die met straalpijpen werkten. Het duurde lang voordat een daadwerkelijk effectieve brandspuit werd uitgevonden die vervolgens ook op grote schaal is toegepast. Het betreft een brandspuit die met water werd gevoed door middel van een separate (zuig) pomp met een slang, met een perspomp waaraan in plaats van een straalpijp eveneens een slang werd bevestigd met pas aan het einde daarvan de straalpijp. Vooral deze tweede slang was belangrijk omdat daarmee de aanval op de brand veel efficiënter kon worden ingezet. Het klinkt voor ons zo logisch, maar toch duurde het tot omstreeks 1670 totdat een dergelijk systeem in Amsterdam werd uitgevonden, geconstrueerd, verbeterd en uiteindelijk succesvol toegepast. Degenen die hiervoor tekenden waren Jan van der Heyden en zijn boer Nicolaas en Jans zoon Jan de Jonge. Onlangs verwierf Korpora. Erfgoed Publiek Veiligheid in Apeldoorn een uniek, volledig ingekleurd exemplaar van het wereldberoemde boek van Jan van der Heyden c.s. over hun uitvinding. Dit boek wordt tevens beschouwd als het eerste en mooiste brandweerboek ooit. Bovendien betreft het een exemplaar van de tweede druk, die de meeste platen bevat. De verwerving van dit werk, getiteld Beschryving der nieuwlyks uitgevonden en geoctrojeerde slang-brand-spuiten, en haare wyze van brand-blussen, beter bekend als het slang- brandspuitenboek, is de aanleiding voor deze bijdrage. Bovendien was het op 12 januari 2023 exact 350 jaar geleden dat voor het eerst een slangbrandspuit werd ingezet! Al sinds de Klassieke Oudheid was met name brand in een stedelijke omgeving een nachtmerrie vanwege het gevaar van snelle uitbreiding met complete stadsbranden tot gevolg, waarvan de geschiedenis vele voorbeelden kent. Het pro- bleem zat hem vooral in de combinatie van het toegepaste bouwmateriaal, zoals veel hout, uitsluitend gebruik van ver- schillende soorten openvuur, zoals haarden, fakkels, kaarsen, olielampen, enzovoorts en de beperkte blusmogelijkheden. De brandweer kent dan ook een lange geschiedenis die vrijwel parallel loopt met de ontwikkeling van blusmiddelen. Hierover is door de eeuwen heen veel geschreven en gepubliceerd. Iedereen heeft waarschijnlijk weleens een emmer met water of zand klaargezet als hij of zij iets ging doen waarbij brand kon uitbreken, zoals barbecueën of iets dergelijks. Heel ver standig. Het blussen van branden met (brand)emmers is waarschijnlijk het bekendste oude blusmiddel. Maar heel effi ciënt zijn ze niet bij grote uitslaande branden. Een uitvinding van Jan van der Heyden uit Gorinchem bleek een revolutio naire verbetering voor het blussen van branden. Een uitvin ding die hij bovendien goed in de markt wist te zetten. Brand in een kapitaal pand met een dito inboedel (zie links onder een grote wereldkaart aan de muur) die wordt bestreden met oude en nieuwe brand spuiten. Linksonder is duidelijk de oude stationaire spuit te zien terwijl ook de nieuwe spuiten zichtbaar zijn waar mee de binnenaanval kon worden ingezet. Handgekleurde gravure van en naar (toegeschreven aan) Jan van der Heyden, circa 16901735. De Boekenwereld 38 . 4 | 2022 64 lezen in het slangbrandspuitenboek. Het was de eerste brand die hij in Amsterdam meemaakte. In het slangbrand- spuitenboek nam hij een grote prent op van deze uitgebreide en bekende brand, waarop hij zijn moeder en zichzelf als veertienjarige jongen met hun hondje afbeeldde, beiden wijzend op de brandspuiten die twintig jaar later door onder anderen Jan zouden worden uitgevonden.3 De prenten in het boek verbeelden namelijk in veel gevallen zowel de oude als de nieuwe situatie in het brandweerwezen. Toen Jan in 1661 op 24-jarige leeftijd trouwde met de 30-jarige Sara Terhiel uit Utrecht, noemde hij zich schilder. Hoewel hij in 1664 zeer verdienstelijke stillevens en land- schappen schilderde, bepaalde zijn broer Goris dat Jan de fabricage in de spiegelzaak op de Dam voortzette.4 Niette- min bleef hij zeer actief als schilder en zou hij als zodanig internationaal grote faam verwerven.5 Toen de Italiaanse groothertog Cosimo III de Medici (1642-1723) tijdens zijn Europese reizen in 1667-1668 de Nederlandse Republiek bezocht, kocht hij in Amsterdam een schilderij van Jan van der Heyden van de Dam met het stadhuis gezien vanaf de Vijgendam, gedateerd 1667. Het geslacht De Medici legde de basis voor de befaamde kunst- collectie van onder meer het museum Uffizi in Florence, Jan van der Heyden Het verhaal begint bij Jan van der Heyden, die ook wel de hoofdpersoon in dit verhaal genoemd mag worden. Nadat hij op 5 maart 1637 in de oude vestingstad Gorinchem als zoon van een olieslager was geboren, arriveerde hij op negenjarige leeftijd met zijn ouders in Amsterdam, waar het gezin zich vestigde. Over de jeugd van Jan is weinig bekend. We weten alleen dat hij werd opgeleid tot glasschilder door een onbekende leermeester.1 Evenmin is bekend waar Jan de kennis van de wis- en natuurkunde opdeed, waarin hij zich later een groot meester toonde.2 Na de dood van zijn vader in 1651 ging Jan een ongewisse toekomst tegemoet. Zijn moeder bleef met zeven minder- jarige kinderen, met nog één op komst, achter. De oudste zoon, Goris, toen 18 jaar oud, was vermoedelijk bij een familielid, die te Amsterdam een spiegelzaak had, in de leer. Vijf jaar later, in 1656, was Jan van der Heyden, op dat moment ook ongeveer 18 jaar oud, als spiegel- en lijsten- maker met zijn broer Goris, zijn moeder en zijn zus Magda- leentje te vinden op de Dam. Op diezelfde Dam zag Jan enkele jaren eerder, op 7 juli 1652, met eigen ogen het oude stadhuis van Amsterdam in vlammen opgaan, zoals valt te 65Brand in Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw in full colour Louis Sloos waar ook het schilderij van Jan van Heyden zich bevindt.6 Het is een van de vele, tegenwoordig onbetaalbare, werken van hem in belangrijke musea over de gehele wereld. Van straatlantaarns tot brandspuiten De brede belangstelling van Jan van der Heyden uitte zich niet alleen in de voorstellingen van zijn schilderijen. Hij was een multi-talent en staat zelfs te boek als de Leonardo da Vinci van het Noorden. Zo was hij ook technicus, succesvol uitvinder en een uitstekend zakenman. In 1668 diende Jan van der Heyden bij het Amsterdamse stadsbestuur een voorstel in ‘om by duystere nachten de gehele Stad met lichten te voorsien’. Op 3 juli 1669 stemde het stadsbestuur in met zijn voorstel tot het plaatsen van maar liefst 2556 straatlantaarns en op 18 september van dat jaar werd hij benoemd tot ‘opzigter en directeur der bij nagt lichtende lantarens’. Eind zeventiende eeuw gold Amsterdam zo als de lichtstad van Europa. De dienst van de straatver- lichting werd zo goed door Jan georganiseerd dat deze tot diep in de achttiende eeuw ongewijzigd bleef.7 Overigens wordt weleens ten onrechte beweerd dat hij de straat- lantaarns heeft uitgevonden.8 Van der Heyden hield zich ook bezig met de techniek van baggermolens en brandspuiten. Van de stad Amsterdam kreeg hij in 1674 de opdracht om een radbaggermolen te bouwen, waarvoor hij 6000 gulden betaald kreeg. Deze baggermolen is in gebruik geweest, maar functioneerde in de praktijk ver- moedelijk matig.9 Met zijn brandspuiten zou Jan meer succes boeken. Jan van der Heyden zou aan het denken zijn gezet om te komen tot verbetering van de brandblusmiddelen en -ver- ordeningen door twee specifieke branden in Amsterdam waarbij mensenlevens te betreuren vielen.10 Beide branden worden uitgebreid behandeld in het slangbrandspuitenboek. De eerste brand vond plaats op 5 december 1658 in een groot koopmanshuis op de Oude Schans. Op deze locatie was in de directe omgeving voldoende bluswater beschik- baar, een grote mensenmassa op de been met ladders en emmers en werd gebruik gemaakt van oude, conventionele spuiten. Deze apparaten beschikten niet over een zuigslang en waren bovenop alleen voorzien van een beweegbare straalpijp om mee te spuiten. Het betrof hoogstwaarschijnlijk brandspuiten van de Duitser Hautsch, waarover later meer. Om hiermee enig effect te kunnen sorteren moesten de spuitgasten vlakbij de brand staan en kon alleen de buiten- gevel natgehouden worden, terwijl de vlammen binnen in het koopmanshuis niet bereikt werden. Met nare gevolgen van dien, want terwijl het inwendig fel doorbrandde, stortte de geevel teffens op de Spuiten en Menschen, dieze bewerkten, neer: waar van vyf op de plaats dood bleeven, en veel andre zwaar gequetst wierden, dat eenige noch zedert bestierven; de Spuiten wierden plat geslagen en zeer ontreddert. Onder de dooden was ook de Stads onder Fabricq [een ambtenaar van gemeentewerken], die uit zyn byhebbende papieren, en d’anderen uit haar kleeding wierden gekent, zynde de lighaamen te zeer verplettert en geschonden.11 Een vergelijkbaar geval deed zich voor op 25 oktober 1670, op ’t ‘Nieuw Eiland’, in het huis van een garenverkoper, waar op de zolder garen door middel van openvuur werd gedroogd linkerpagina De brand in het oude stadhuis op 7 juli 1652 zoals verbeeld in het slangbrandspuiten boek. Rechtsonder, links van de letter B, zijn de jonge Jan van der Heyden en zijn moeder te zien met hun hondje, wijzend naar de slangbrand spuit die hij later zou uitvinden. Hand ge kleurde koper gra vu re toe ge schreven aan Jan van der Heyden, maar moge lijk van Joseph Mulder, naar Jan van der Heyden, circa 16901735. Portret van Jan van der Heyden. Gravure door Jacob Hou braken, achttiende eeuw. Rijksmuseum Amsterdam. De eerste brand die Van der Heyden c.s. beschrijven, op 5 december 1658, in een groot koop manshuis op de Oude Schans, waarvan de gevel instortte als gevolg van het gebruik van de slecht werkende oude brand spuiten. Hand gekleurde gravure naar en van (toe geschreven aan) Jan van der Heyden, circa 16901735. De Boekenwereld 38 . 4 | 2022 66 de brand zelf.14 Uit deze beide en ook andere beschrijvingen van branden blijkt duidelijk vooral de zorg om de slacht offers die daarbij vielen. Om meer slachtoffers te voorkomen was het dus vooral zaak dat de brand letterlijk te lijf gegaan kon worden. Met de tot dan toe gebruikte stationaire brand- spuit was dit niet mogelijk. Om de aanval effectief te kunnen inzetten, waren brandslangen noodzakelijk. ‘Gemoveert door ’t zien der verlegentheden, disordres en sware schade, die telkens bij brand in dese stad, door ’t onvermogen der oude spuiten en blusgereetschappen wierden geleden’, zoals Jan het zelf verwoordde, boog hij zich vanaf 1670 over verbetering van de brandbestrijding, waarvan de slangpomp het eerste resultaat was.15 Jans drie jaar jongere broer Nicolaas van der Heyden (1640-1682), ook geboren in Gorinchem, was aanvankelijk zijdelakenwinkelier en grijnwerker, maar besloot om met zijn succesvolle broer te gaan samenwerken. Alle octrooien die hier nog aan bod komen, staan op hun beider naam.16 Daarnaast is hij mede-auteur van de eerste publicatie over de slangbrandspuit en worden Jan en hij beiden expliciet als de uitvinder ervan vermeld. Later meer over Nicolaas. ‘Duitse degelijkheid’ De naam van Jan der Heyden is door zijn belangrijke uitvin- ding dusdanig aan de brandspuit verbonden dat hij ook wel wordt gezien als de uitvinder ervan. Maar niets is minder waar. Hiervoor moeten we terug naar de Klassieke Oud- heid, maar daar is op deze plaats geen ruimte voor.17 Hier is van belang dat de Staten-Generaal op 11 juni 1614 een (eerste) octrooi verleenden aan Pauwels Alexander voor een brandspuit die werd omschreven als ‘een spuit voor het blusschen van brand en ook voor oorlogsdoeleinden en voor plantbesproeiing’. De essentie van het octrooi is dat het ging om een brandspuit die door een klein aantal mannen kon worden bediend om een straal zo dik als een arm en zo hoog als een huis te kunnen produceren. Nadelen ervan waren dat de straalpijp op de spuit zelf was gemon- teerd en dat met de gehele spuit moest worden gemanoeu- vreerd om de straal op het vuur te kunnen richten. Dat volgens de maker met deze spuit elke vuurhaard kon worden bereikt, lijkt dan ook twijfelachtig.18 Niettemin zag de smid en veelzijdig techneut Hans Hautsch (1595-1670) te Neurenberg in Duitsland, waar veel brandspuiten werden ontwikkeld, rond 1650 wel wat in het apparaat van Pauwels Alexander. De Duitser bouwde een kolossale uitvoering van de brandspuit van Pauwels Alexander en ging deze produceren, waarbij hij allerlei verbeteringen aanbracht.19 Het voert te ver om hier op allerlei technische details in te gaan, te meer omdat daarover ook veel dis- cussie bestaat, maar een groot voordeel was dat de versie van Hautsch beschikte over een verwisselbaar, draaibaar mondstuk om de stijghoogte te kunnen veranderen en in verschillende richtingen te kunnen spuiten zonder dat de wagen verplaatst hoefde te worden. Een nadeel van het apparaat was echter dat dit door drie paarden of 16 man moest worden getrokken en dat er maar liefst 28 man nodig waren voor de bediening.20 De brandspuit van Hautsch werd in de Nederlandse Republiek jarenlang als de eerste brandspuit beschouwd.21 Amsterdam schafte tussen 1654 en 1660 zestig exemplaren aan en zou in 1657 de eerste in gebruik genomen hebben. Pas in 1670 zou Hautsch alle bestelde exemplaren, voor en brand uitbrak. Het vuur verspreidde zich naar belendende panden, aan een kant tot het zesde huis en ‘Zulx maakte in den avond zo vervaarlyken vlam en licht in de geheele Stad, dat by na al de Sleepers die ’t voeren van Spuiten was bevoo- len, de haare bybrachten.’ Tijdens het bluswerk stortte de ene na de andere muur in: ’t welk men telkens met zulk een meenigte zwaare Spuiten vol waater, dwars door den drang der van ontallyke Men- schen, en andre blus-gereetschappen, beneffens goederen die daar van alle kanten wierden uitgedragen, met geen kleine verwarring en disordre moest ontvluchten.12 De brand eindigde met vrijstaande muren en er bleef neer- gestort puin ongeblust liggen, wat leidde tot een ‘zeer beklaaglyk ongeluk’. Enige dagen later laaide de brand in het puin namelijk weer zo sterk op dat de buuren by nacht genootzaakt waaren, met lantaar- nen op de puinhopen te klimmen om te zien of daar van ook op nieuw ongemak aan haare huizen was te wachten, maar een weinig te na aan d’eene zy koomende, storten een groot stuk muur, misschien door de dreuning van ’t gaan [het klimmen op de puinhopen], plotzeling neer en haar op ’t lyf: ’t welk twee of drie van hun kort daar na zeer ellendig bestorven.13 De beschrijving wordt besloten met het statement dat het probleem van het instortinggevaar veel zorgelijker was dan De slangpomp op een schraag (links) die niet langer met emmers gevoed hoefde te worden, en verschillende pompen met een zuig en perssys teem in één (rechts). Handgekleurde gra vure van Jan van Via nen naar Jan van der Heyden, circa 1735. 67Brand in Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw in full colour Louis Sloos geregelde en ononderbroken, overvloedige toevoer van water uit de gracht. Er was nog geen slang aan de brand- spuit zelf bevestigd, maar niettemin kon de brand, die anders waarschijnlijk vijf huizen zou hebben verwoest, spoedig worden geblust. De slangpomp of aanbrenger staat ook bekend als de schraagpomp, omdat de pomp op een hoge schraag stond waarin een zak hing waarin het water terechtkwam, waardoor een soort mini watertoren ont- stond en druk werd opgebouwd. De slangpomp werd aan- vankelijk gevoed met emmers water om spoedig te worden voorzien van een eigen (zuig)pompmechanisme. Later ont- wikkelden Van der Heyden c.s. brandspuiten die zowel dienden als zuig- en perspomp. De uitvinding van de slangpomp, waarvoor over het algemeen weinig aandacht is, markeert het begin van de ont- wikkeling van de beroemde slangbrandspuit van Van der Heyden c.s. Hoewel de bewuste slangpomp later voorlopig buitengebruik werd gesteld, droeg het stadsbestuur van Amsterdam op 24 oktober 1672 aan Jan van der Heyden de inspectie over de blusmiddelen op. Gelijktijdig werd hij aan- gemoedigd om aan de verbetering daarvan te werken. De nieuwe aanstelling en opdracht leidde kort daarop tot de uitvinding en constructie van de thans (in verbeterde vorm) overal ter wereld in gebruik zijnde slangbrandspuiten. Een mijlpaal in de brandweergeschiedenis. Met name Jan van der Heyden verwierf hiermee internationaal grote naam en faam.23 De spuiten werden in gebruik genomen en Jan van der Heyden kreeg de opdracht de beheerders van de spuiten ‘het manjement ende gebruyck van deselve leere elke wijk één, geleverd hebben. Met de aanschaf was een kolossaal bedrag van f 28.700 gemoeid.22 Het Rampjaar, een geluk bij een ongeluk Tussen 1657-1670 heeft Amsterdam dus uitgebreid kunnen kennismaken met de Hautsch-brandspuit, maar al kort nadat elke wijk eindelijk over een exemplaar beschikte, was er kennelijk behoefte aan iets anders, iets beters. De directe aanleiding daarvoor vond plaats in het jaar 1672, bekend als het Rampjaar omdat de Nederlandse Republiek in oorlog was en zowel door de erfvijanden Engeland en Frankrijk als door de bisschoppen van Münster en Keulen werd aange- vallen en daarbij gedoemd leek ten onder te gaan. Het stads- bestuur van Amsterdam was in die tijd bevreesd voor brand- stichting door agenten van de vijand. De eerste grote brand in dat jaar trof, in de nacht van 22 op 23 februari, het enorme complex van de befaamde drukkerij van de uitgever en cartograaf Joan Blaeu (1596-1673), dat ten noorden van de Gravenstraat lag. Op 25 maart 1672 konden Jan en Nicolaas van der Hey- den bij een nieuwe, zware brand op het Schapenplein (nu het Muntplein) een eerste proef doen met een essentieel onderdeel van hun uitvinding. Hoewel hun slangbrandspuit toen nog niet gereed was, experimenteerden zij wel al met hun pas uitgevonden slangpomp of aanbrenger. De broers verbonden een pomp met een slang aan een oude brand- spuit (hoogstwaarschijnlijk een van Hautsch), die daardoor, in tegenstelling tot voorheen, voorzien werd van een Twee prenten aan de hand waarvan Van der Heyden c.s. het effect van hun slangbrandspuit tonen door een pand aan de Leidse gracht tijdens en na de brand te laten zien, waarbij bovendien moest worden ge blust tijdens strenge vorst. Door de bete re werking van de pomp, met een ge stage waterstroom, kreeg het water geen kans om in de spuit te bevriezen, iets wat bij oudere types brandspuiten wel gebeurde. De schade bleef daardoor be perkt tot met name het pand dat vlam vatte, en sloeg niet over naar belenden de panden, wat in die tijd een bijzonder heid was. Handge kleurde gravure van en naar (toegeschre ven aan) Jan van der Heyden, circa 1690 1735. De Boekenwereld 38 . 4 | 2022 68 Het slangbrandspuitenboek en andere publicaties van Jan van der Heyden c.s. Nog in het jaar waarin de octrooien op de slangbrandspuit werden verworven (1677), publiceerden Jan en Nicolaas een Bericht wegens de nieuw-geïnventeerde en geoctroyeerde slang- brandspuiten, dat zij voor eigen rekening lieten drukken door Jan II Rieuwertsz. De uitgave telt 14 pagina’s en bevat een uitslaande plaat. De tekening voor deze plaat is ver- vaardigd door Jan van der Heyden en voor het graveren tekende Daniel Stoopendaal (circa 1650-?). Later werden prenten vergelijkbaar met die in de eerste beschrijving van hun uitvinding ook los verspreid met Nederlandse en Fran- se teksten in boekdruk om reclame te maken voor hun uit- pijpen of slangen te instrueren’, waarbij hem een redelijk loon werd toegezegd.24 Volgens de uitvinders waren ‘De nieuw-geïnventeerde Slang-Brandspuiten’ dienstig en bequaem om ’t water, met een geduurige dikke Strael, te brengen in het hevigste van de Brand, en de selve onfeilbaer en spoedig uit te blusschen, hoedanig en waer die ontstaet, ’t zy in nauwe straten, steegen, achter- huisen, of in groote hoogten en andere ongenaekbare plaetsen: sonder eenige muuren, wanden of gevels om verre te halen, of te laten deurbranden, om toegang tot de Brand te krijgen. Dit alles werd mogelijk gemaakt dankzij de toepassing van ‘een lange en buigelijke buis, om hare gedaente een Slang genaemt’, ofwel wat wij nu zouden omschrijven als een brandslang.25 Van der Heyden gebruikte twee soorten slangen: ‘van zeker zoort van doek, hier toe byzonderlyk bereid, gemaakt’ (dik zeildoek) ten behoeve van zijn slangpomp, en ‘een tweede slang, of Spuit-slangen van leer gemaakt, dat op byzondere wyze bereid en zaamengevoegt word, om dicht, bestendig en tegen ’t geweld [de druk] van ’t water bestant te zyn’ voor zijn slangbrandspuit.26 Slangen of buizen, zoals ze ook genoemd werden, waren in Van der Heydens tijd overigens evenmin een novum. De uitvinding van specifiek brandslangen wordt zelfs toegeschreven aan de oude Grieken, die hier 400 v.Chr. al een primitieve vorm van kenden.27 In Van der Heydens tijd zelf werden ook al leren slangen gebruikt door Franse wijn- boeren en door lokale wijnkopers- en handelaren. Zij transporteerden met ‘Leere Buysen’ de wijn van kelder tot kelder, van vat tot vat. ‘Hevelen’ wordt dit eeuwenoude principe ook wel genoemd. De ‘Leere Buys’ werd vroeger dan ook wel hevel genoemd.28 Dat brandspuiten en slangen al bestonden doet echter niets af aan de uitvinding van Jan van der Heyden c.s. Zij brachten een aantal bestaande tech- nieken samen en creëerden iets nieuws wat in die tijd werd gezien als een wereldwonder. Met de slangbrandspuit kon volgens de uitvinders het blussen snel worden aangevangen en volgehouden en boven- dien was het mogelijk om deze voortdurend van voldoende water te voorzien. Dit terwijl oude brandspuiten steeds droog vielen omdat het water niet snel genoeg met emmers kon worden aangevoerd. De brandspuiten konden ook gebruikt worden op oorlogs- of andere grote schepen, niet alleen om branden te blussen en de zeilen nat te houden, maar ook om in geval van lekkage het water uit het schip te pompen. Volgens de uitvinders verving een van hun pompen vijf à zes gewone scheepspompen. Tot slot werden ook kleine brandspuitjes aangeboden om in particuliere huizen branden mee te kunnen blussen, in fonteinen te gebruiken ‘om het water met kleine moeite, in de hoogte te brengen’, alsook om bij grote droogte het land met water te kunnen besproeien. Geïnteresseerden konden zowel bij Jan van der Heyden, op de Reguliersgracht in het huis ‘Haerlem’, als bij Nicolaas, in het magazijn in de Nieuwe Teertuinen, in de ‘roode Galei’, terecht voor een demonstratie.29 Titelpagina met ingekleurd vignet van het slangbrand spuitenboek uit 1735. 69Brand in Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw in full colour Louis Sloos brandspuiten aan de hand van een voorbeeld werd onder- nomen, toch niet het gewenste resultaat werd bereikt. Overigens bestaat er inderdaad een vervolg op het slang- brandspuitenboek in manuscriptvorm, dat zich bevindt in de KB in Den Haag, maar dit fragmentarische geschrift, onderbroken door blanco bladzijden, is voornamelijk gewijd aan beweringen van een concurrent.31 Het is dan ook de vraag of Van der Heyden c.s. daadwerkelijk al hun kennis wilden prijsgeven. Hun nabericht is eigenlijk te mooi om waar te zijn. Na de eerste druk van het slangbrandspuitenboek volgde in 1695 van de hand van het tweetal weer een Beschryving der brand-ordres, en wijze van brandblussen, tegenwoordig binnen Amsterdam in gebruik zijnde, eveneens uitgegeven door Jan II Rieuwertsz. Achteraf was dit de laatste publicatie van Jan van der Heyden, die in 1712 overleed. In 1735 verzorgden de erfgenamen Jan van der Heiden tot slot een tweede druk van het slangbrandspuitenboek, de meest volmaakte uitgave met in plaats van 19 maar liefst 25 platen. Van deze uitgave verwierf Korpora. Erfgoed Publiek Veiligheid te Apeldoorn dus een volledig, tot op de vignetten toe, ingekleurd exemplaar. Naast een exemplaar van de zeldzamere eerste druk bezat Korpora al twee onge- kleurde exemplaren van de tweede druk en ander (plano)- drukwerk rondom de uitvindingen van Van der Heyden c.s. Daarnaast is in de collectie brandweermaterieel aanwezig uit de door Van der Heyden c.s. opgezette fabriek, te zien in het Nationaal Brandweermuseum te Hellevoetsluis. De tweede druk van het slangbrandspuitenboek bevat geen uitgeversnaam. In het colofon staat alleen ‘Gedrukt voor de Erfgenaamen van Jan vander Heiden’. Wel is bekend dat het boek in Amsterdam te koop was bij Jan Hartig en Isaak Tirion.32 Gekleurde exemplaren van beide drukken van het slang- brandspuitenboek komen zelden voor. Het door Korpora verworven exemplaar is het tweede bekende gekleurde en enige complete exemplaar (van een tweede druk). Het boek, dat werd aangekocht bij een vooraanstaand Nederlands antiquriaat, bevat in chronologische volgorde de volgende provenances: ‘Institute of Naval Architects’ (‘Scott Library Collection Presented by Mr. R.L. Scott [Robert Lyons Scott (1871-1939)], July, 1930’), ‘Francis Edwards’, een antiquaar te Londen sinds 1855, en ‘C.J. Spreeuwenberg’, die het op 6 mei 1976 kocht bij Edwards. Een ander gekleurd exemplaar van de tweede druk was in het bezit van een van de grootste bibliofielen die Neder- land ooit heeft gekend, de Rotterdammer mr. F.C. Koch.33 Gelet op de kwaliteit van de boeken waar de bibliotheek van Koch befaamd om is, valt op dat het gekleurde exem- plaar van de tweede druk van het slangbrandspuitenboek in zijn collectie niet compleet was, de zes extra platen ontbra- ken. Overigens bezat Koch ook een exemplaar van de eer- ste druk met als extra de zes platen uit de tweede druk!34 Bovendien was Kochs incomplete exemplaar van de tweede druk gebonden in een latere half perkamenten band met vernieuwde schutbladen. Tot slot is de inkleuring niet bij- zonder aantrekkelijk te noemen. De reden waarom Koch dit exemplaar toch in zijn keurboekerij opnam is waar- schijnlijk gelegen in het feit dat zelfs hij blijkbaar niet aan een compleet gekleurd exemplaar van dit zo belangrijke en bijzondere brandweerboek kon komen. vinding. Voorin het werk namen de broers twee lofteksten op hunzelf en hun uitvinding op. Daarna volgen een beschrijving van ‘De nieuw-geïnventeerde Slang-Brand- spuiten’, een vergelijking met de oude brandspuiten, een overzicht van branden en hun bestrijding met de oude en nieuwe middelen, en een kostenvergelijking van het oude en het nieuwe materieel. Nadat Jan van der Heyden en zijn zoon in 1688, opnieuw voor eigen rekening, een Beschryving van de ordres en maniere van brandblussen, tegenwoordig binnen Amsterdam gebruikelijk lieten drukken door Willem de Jonge, publiceerden zij twee jaar later de eerste druk van het bewuste slangbrand- spuitenboek, getiteld nieuwe Beschrijving van de nieuwlijks uitgevonden en geoctrojeerde slang-brand-spuiten, en haare wijze van brand-blussen, uitgegeven door stadsdrukker Jan Rieu- wertsz. De kostbare uitgave werd opgedragen aan de burge- meesters van Amsterdam. Het slangbrandspuitenboek is in feite een sterk uitge- breide versie van hun ‘Bericht’ uit 1677 en zeer doordacht opgebouwd. Het bestaat uit een voorwerk, drie delen met al dan niet meerdere hoofdstukken en een nabericht. De tekst is doorschoten met 19 fraaie, deels uitslaande, prenten die het boek zo beroemd maakten. Alle voorstellingen werden voor zover bekend door Jan van der Heyden zelf getekend en gegraveerd door vermoedelijk Jan van der Heyden zelf en worden verder toegeschreven aan Jan van Vianen (circa 1660-na 1726), Joseph Mulder (1658-1742) en Romeyn de Hooghe (1645-1708).30 De prenten hebben onderschriften in het Nederlands en Frans. Het voorwerk bestaat, behalve uit de privileges van de Staten-Generaal en de Staten van Holland en West- Friesland, uit een beschrijving van de uitvinding, een soort managementsamenvatting; het boek was tenslotte vooral bestemd om stadsbesturen over te halen zoveel mogelijk slangbrandspuiten aan te schaffen. Dan volgt het eerste deel met een beschrijving over de oude en nieuwe blus- middelen, van de blusemmers enzovoorts, de oude spuiten tot de slangbrandspuiten, die met elkaar vergeleken worden. In het tweede en tevens grootste deel van het boek volgt een chronologisch overzicht met bijzondere beschrijvingen van branden binnen de stad Amsterdam vanaf het jaar 1652 en van de bestrijding daarvan met de drie soorten blus- middelen zoals beschreven in het eerste deel die daarbij successievelijk gebruikt werden. Hieronder bevindt zich een aantal beroemde branden, zoals van het Amsterdamse stadhuis en de drukkerij van de firma Blaeu. De auteurs stellen alle branden die ze beschrijven met eigen ogen te hebben waargenomen. Het derde deel is een beschrijving van de brandkeuren en -orders, waarvoor de Van der Heyden c.s. ook tekenden, in gebruik binnen Amsterdam alsmede op de schepen die voor de stad te water lagen. In een nabericht delen Jan van der Heyden en zijn zoon mede dat ze de intentie hadden om nog een vierde deel aan het boek toe te voegen met ‘een naaukeurige beschryving van de in- en uitwendige gestalte der Spuiten en haare deelen, mitsgaders de maaking en zamenvoeging der zelve, der materiaalen, en haare bereiding’. De gedachte hierachter was ‘om zo veel wy konden ver-af-geleege plaatzen, daar het merklyke moejelikheyt kan hebben die van ons t’ont bieden, en die geheel buiten de Landen van ons Octroy zyn, te hulpe te komen’. Dit was een zeer nobel streven van de heren, maar de praktijk leerde dat waar of hoe ook het namaken van de De Boekenwereld 38 . 4 | 2022 70 werden afgeladen. Dit waren meestal afgedankte schepen die tijdens oorlog ter zee in brand werden gestoken en op vijandelijke schepen afgestuurd. Door de aanwezigheid van deze uiterst brandbare stoffen in de lijnbanen was dit geen onschuldig brandje. Ze was zelfs zo hevig ‘dat de vlam teffens de geheele Stad overlichtte’. Zowel te land als te water werden brandspuiten opgesteld. Overal waren lieden in de weer met gieten en pompen, anderen met het omverhalen van muren en wanden, toen eindelijk ook de slangspuit arriveerde. Deze kwam om ver- schillende redenen te laat, en toen deze er eindelijk was kon ze niet bij de brand komen omdat het gehele terrein was bezet met oude spuiten, waar iedereen zich mee bezighield. Niemand wilde voor dat ‘nieuwe ding’ plaats maken, noch ermee werken. ‘’t is hier geen tijd’, zeiden de brandmees- ters, ‘om nieuwe dingen, die men niet kent, te beproeven, en nog minder om daarmeê ’t oude te verhinderen’. Hoewel de oude brandspuiten te wensen overlieten en de brand de overhand nam, werd de slangspuit niet ingezet. Toen op een gegeven moment de lijnbanen en alles er omheen volledig in de as lag, vielen alleen nog twee houten loodsen, zijdelings van de brand aan de Oude Stadswal, te redden. Hier konden de oude brandspuiten echter niet bij- komen, maar die van Van der Heyden c.s. wel, en zij wilden graag een poging wagen om de loodsen te redden. Omstan- ders riepen dat het onmogelijk zou zijn, maar met de slang- brandspuit werden niet alleen de vlamgevatte loodsen, Korpora. Erfgoed Publieke Veiligheid is dan ook zeer verguld met zijn aanwinst. Het boek sluit inhoudelijk goed aan en de uiterst gedetailleerde prenten zijn in kleur een lust voor het oog waar je uren naar kunt kijken, een ware ontdekkingsreis door de wereld van de brandweer in de zeventiende eeuw. Symboolpolitiek Toen de slangbrandspuit, het neusje van de zalm op het gebied van de brandbestrijding in die tijd, een feit was, nam het Amsterdamse stadsbestuur in zijn enthousiasme op 11 november 1672 het belangrijke besluit dat alle tot nog toe in gebruik zijnde brandspuiten conform dienden te worden gemoderniseerd. Maar in de praktijk bleek het besluit vooral symbool- politiek te zijn, want van daadwerkelijke uitvoering kwam voorlopig niets. De Van der Heydens kregen te maken met veel tegenwerking.35 Nadat Jan de opdracht had gekregen om de stadsbrandspuiten te verbeteren, bouwde hij een van de brandspuiten van Hautsch om tot een slangspuit, die bij de Westerkerk werd geplaatst. Op 12 januari 1673 brak vervolgens brand uit in de oude lijnbanen van de Admiraliteit in de Vinkenbuurt buiten de Sint-Anthonispoort. Deze lijnbanen waren sinds enige tijd in gebruik als een ‘Magazyn van Scheeps gereetschappen ten Oorlog’. In het bijzonder gebruikt voor opslag van houtkrullen, riet, zwavel, harpuis en ander brandbaar materiaal waarmee de zogeheten branders 71Brand in Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw in full colour Louis Sloos wezen achter. Bij elke brand werden nog de oude spuiten aangevoerd die alleen maar in de weg stonden. De weinige slangbrandspuiten in het arsenaal waren vermaakte oude brandspuiten en daarom te groot en onhandelbaar. Ze werden bij voortduring belemmerd door het ordeloos gewoel van overtollig volk dat met ladders sjouwde, met haken en bijlen rukte en sloeg, en meer kwaad dan goed deed. De brandmeester, die het commando voerde over alle oude middelen van brandhaken, ladders, zeilen, brand- emmers en ‘rangen volk’, en de brandspuitmeesters, die de directie voerden over de slangspuiten, stonden als vertegen- woordigers van het oude respectievelijk het nieuwe tegen- over elkaar, waarbij de laatsten doorgaans door de eersten werden gehinderd en tegengewerkt.41 Vrede Zodra de oorlogslasten minder werden, nam het stads- bestuur het brandwezen serieus ter hand en werd besloten de nieuwe kleine brandspuiten van Van der Heyden c.s. te laten maken, die zonder paarden naar de brand gebracht konden worden en de vermaakte oude spuiten uit de roulatie te halen. Dit ging echter minder snel dan gewenst, want het duurde tot eind 1681 totdat alle zestig spuiten van de stad vervangen waren.42 Ondertussen had Van der Heyden het in de laatste weken van genoemd jaar druk genoeg. De nieuwe brand- maar ook al het brandend puin van de lijnbanen in korte tijd en volledig geblust. Dit voorval maakte grote indruk. Duizenden toeschouwers hadden met eigen ogen kunnen zien hoe de nieuwe brandspuit de oude overtrof, waardoor het vooroordeel week en de oude brandspuiten voortaan geminacht werden.36 Hoewel de gebroeders Jan en Nicolaas op 15 november daaraanvolgend werden aangesteld tot ‘opsienders van Stadts Brandspuyten en Brandgereedschap’ of ‘generaale brandmeesters’, was hun kostje nog niet gekocht.37 In het slangbrandspuitenboek wordt een iets rooskleuriger beeld geschetst waar gesteld wordt dat na de brand in de oude lijnbanen ‘nauwlyx ooit Oude Spuiten meer binnen deeze Stad zyn gebruikt’.38 De oorlog die gaande was verslond veel geld en liet weinig over om te investeren in slangbrandspuiten. De brandspuiten waren ook niet goedkoop: een van de grootste spuiten kostte f 658, een middelbare of kleine f 414.39 Bovendien hadden de Van der Heydens zichzelf min of meer in de voet geschoten door een oude brandspuit om te bouwen tot een moderne slangbrandspuit. Dit bracht het stadsbestuur tot het besluit ‘dat het genoeg was, zoo men jaarlijks eenige oude spuiten tot slangspuiten verhanselde’. Het gevolg hier- van was dat hieraan veel geld nutteloos werd verkwist en nog jarenlang met enkele gebrekkige en een aantal onbruik- bare spuiten werd voortgesukkeld.40 Tegelijkertijd bleef ook de nodige regeling van het brand- De brand in de oude lijnbanen van de Admiraliteit in de Vinkenbuurt buiten de SintAnthonis poort, op dat moment in gebruik als een ‘Magazyn van Scheepsgereet schappen ten Oor log’, waar veel zeer brandbaar materi aal lag opgeslagen, op 12 januari 1673. Handgekleurde gra vure toegeschreven aan Romeyn de Hooghe naar Jan van der Heyden, circa 16901735. Een schip van de VOC voor de scheepstimmerwerf op Oostenburg dat op 14 mei 1690 in de brand was gevlogen en (nadat eenmaal de slangbrandspui ten waren gearri veerd) spoedig kon worden geblust en grotendeels behou den. Handgekleurde gravure naar en van (toegeschreven aan) Jan van der Heyden, circa 16901735. De Boekenwereld 38 . 4 | 2022 72 brandweerlieden aan te moedigen, werden bovendien premies uitgeloofd. Door de nieuwe grote brandkeur van 6 april 1685 werd het Amsterdamse brandweerwezen ver- volgens zodanig geregeld dat dit als voorbeeld kon dienen voor alle steden.43 Tot besluit: fabrikant Weldra werden de slangbrandspuiten van Van der Heyden c.s. ook in andere plaatsen ingevoerd. Zeer welkom hierbij was dat de Staten van Holland en de Staten-Generaal des- gevraagd op 15 respectievelijk 21 september 1677 hierop octrooi verleenden. Dat van de Staten-Generaal gold voor de duur van 25 jaar mits attache was aangevraagd, dat wil zeggen dat een andere overheid blijk gaf van een kennis - neming tot uitvoering van een besluit of vonnis uitgegaan van een andere overheid of andere instantie. Attache voor dit octrooi werd verlengd door Overijssel en Zeeland op 24 april 1678 respectievelijk 19 september 1686.44 De Van der Heydens konden dus lang van hun uitvinding profiteren. Broer Nicolaas overleed vroegtijdig in 1683, maar Jan pas in 1712 en zijn zoon in 1726. De slangbrandspuiten werden zelfs buiten de lands- grenzen verkocht. Toen Tsaar Peter de Grote in 1697 de Nederlandse Republiek bezocht, waarbij hij vaak in de fabriek van Van der Heyden c.s. te vinden was, probeerde hij Jan van der Heyden zelfs over te halen om voor hem te komen werken. De uitvinder bedankte hiervoor, maar wist de tsaar wel enkele brandspuiten te verkopen, die goed van pas kwamen aangezien de huizen in Moskou en zelfs een paleis van hout waren.45 Toen laatstgenoemde octrooien werden verleend, had Jan zijn magazijn nog op de Reguliersgracht in het huis ‘Haerlem’. In 1681 vestigde hij zich op een door hem bebouwd perceel in de Koestraat. Hier heeft tot 1867 een brandspuitenfabriek bestaan. Jan dreef de handel in brand- spuiten samen met zijn broer, maar helaas liet de verhouding tussen de broers nogal te wensen over. Herhaaldelijk moesten geschillen tussen hen worden bijgelegd. Blijkbaar hadden deze (ook) betrekking op de vraag wie de meeste credits verdiende(n) voor de uitvinding en verbetering van de slangbrandspuit. Nog drie jaar na de dood van Nicolaas beklaagde Jan zich dat het zijn zoon Jan de jonge (1662-1726) was geweest die de brandspuit vervolmaakt had.46 Dat naast Jan van der Heyden zelf Jan de Jonge in plaats van Nicolaas op de titelpagina van het slangbrandspuitenboek vermeld staat, zou het resultaat kunnen zijn geweest van genoemde conflicten. Maar Nicolaas was op dat moment ook niet meer in leven, dus dat zou ook de reden daarvoor kunnen zijn. Hoe dan ook, vast staat dat Nicolaas ook aan de uitvinding meewerkte.47 Na de dood van zijn broer in 1682 bleven Jan en zoon voortdurend verbeteringen aanbrengen aan de brandspui- ten. Jan de Jonge werd net als zijn vader generaal Brand- meester van Amsterdam, in welke functie hij na zijn dood werd opgevolgd door zijn jongere broer Samuel.48 Na de dood van Jan van der Heyden – zijn echtgenote overleed enkele weken later – werd hij in al zijn ambten opgevolgd door Jan de Jonge, die na de dood van zijn oom Nicolaas al was aangesteld tot medeopzichter over de ‘brandbluschmiddelen’. Sinds 1692 liet zijn vader ook al het toezicht volledig aan hem over en op 17 april 1699 werd hij tevens benoemd tot opziener over de schutsluizen en de orders, die hij, als Generaal brandmeester, op last van het stadsbestuur moest ontwerpen, waren gereed en op 8 oktober door het gerecht als brandkeur afgekondigd. Maar de kapiteins hadden ieder in hun wijk zes personen uit- gekozen om de nieuwe spuiten te bedienen, en die moesten allemaal nog worden geïnstrueerd en getraind. Dit betrof 60 wijken met in totaal 360 brandweerlieden. Dagelijks werd geëxerceerd met de spuiten, nu met de bemanning van de ene en dan van de andere wijk. En tege lijkertijd moesten in de fabriek van Van der Heyden c.s. alle zeilen worden bij- gezet om het nog ontbrekende aantal spuiten op tijd klaar te hebben. Zo was begin 1682 alles nieuw: nieuwe gereedschappen, nieuwe orders en nieuwe mensen. Om de ijver van de Prijslijst van slang brandspuiten uit de fabriek in de Koe straat opgezet door Jan van der Heyden c.s., toenmaals geleid door Samuel van der Heyden, circa 1725. Rijksmuseum Amsterdam. 73Brand in Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw in full colour Louis Sloos Noten 1 P.C. Molhuysen, P.J. Blok, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek (NNBW) III. Leiden 1914, kol. 584. 2 A.R. Kleyn, ‘Jan van der Heyden. Spiegel- en lijsten maker, werktuigkundige, teekenaar, schilder, uitvinder, verlichtingskundige en brandmeester’, Sibbe. Maandblad van het Nederlandsch Verbond voor Sibbekunde 2 (1944), p. 3. 3 A.C. van Eck, ‘Jan van der Heyden’, Maandblad Amstelodamum 24 (maart 1937), p. 33-34. 4 Van Eck, ‘Jan van der Heyden’, p. 34-35. 5 Zie over Jan van der Heyden als kunstenaar: Peter C. Sutton, met bijdr. van Jonathan Bicker e.a., Jan van der Heyden (1637-1712). New Haven en Londen 2006); Lyckle de Vries, Jan van der Heyden. Amsterdam 1984. 6 G.J. Hoogewerff, De twee reizen van Cosimo de’ Medici prins van Toscane door de Nederlanden (1767- 1669). Journalen en documenten. Amsterdam 1919, XXVIII, en noot 3 aldaar, 81. 7 NNBW, dl. 3, 584-585, https://www.amsterdam. nl/stadsarchief/nieuws/heyden/, https://www. amsterdam.nl/stadsarchief/nieuws/heyden/ jan-heyden-uitvinder-kunstenaar-zakenman/ 8 Kleyn, ‘Jan van der Heyden’, p. 39. 9 H. van Heiningen, Diepers en delvers. Geschiedenis van de zand- en grindbaggeraars. Zutphen 1991, p. 80-81. 10 G. Klomp, ‘Jan van der Heyden’, Vuur en water. Vakblad gewijd aan de belangen van het brandwezen (1924), p. 21. 11 Jan vander Heiden, Jan vander Heiden de Jonge, Beschryving der nieuwlyks uitgevonden en geoctroj- eerde slang-brand-spuiten, en haare wyze van brand- blussen. Amsterdam: s.n., 1735, p. 11. 12 Idem, p. 14. 13 Ibidem. 14 Ibidem. 15 Kleyn, ‘Jan van der Heyden’, p. 40. 16 NNBW, dl. 3, kol. 586; G.J. Verburg, In vuur & vlam. Geschiedenis in woord en beeld van de brand- bestrijding. Haarlem 1967, p. 22. 17 Zie over het brandweerwezen en brandspuiten in de Klassieke Oudheid tot en met de zeventiende eeuw: G.V. Blackstone, A history of the British fire service. Londen 1957, p. 1-14 e.v.; E. Green-Hughes, A history of firefighting. Ashbourne, Derbyshire 1979, p. 9-14 e.v.; Verburg, In vuur & vlam, p. 13-15 e.v.; J. Meier, ‘De beteekenis van Jan van der Heyden op het gebied van het brandwezen’, Jaar- boek Amstelodamum 11 (1913), p. 1-3 e.v. 18 Verburg, In vuur & vlam, p. 16-18. 19 Idem, p. 18. 20 F.M. Feldhaus, Die Technik. Ein Lexikon. Der Vorzeit der Geschichtlichen Zeit und der Naturvolker. München 1970, p. 315; Verburg, In vuur & vlam, p. 18. 21 Verburg, In vuur & vlam, p. 18. 22 Meier, ‘De beteekenis van Jan van der Heyden op het gebied van het brandwezen’, p. 4-5; J. van Lennep, W. Moll en J. ter Gouw, Nederlands geschiedenis en volksleven in schetsen. Leiden z.j., ongepagineerd, www.amsterdam.nl/stadsarchief, aldaar: https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/ nieuws/heyden/jan-heyden-uitvinder-kunstenaar- zakenman/ 23 NNBW, dl. 3, kol. 585; Kleyn, ‘Jan van der Heyden’, p. 40-41, Verburg, In vuur & vlam, p. 30. 24 Kleyn, ‘Jan van der Heyden’, p. 41. 25 Zie over de ontwikkeling van de brandslang, met de nadruk op de moderne(re) tijd: Arriën Drok, Van Boren tot Blussen. Ontwikkeling en fabrikage- techniek van brandslangen. Mijdrecht z.j. 26 Vander Heiden, Beschryving der nieuwlyks uitge- vonden en geoctrojeerde slang-brand- spuiten, p. 5-6; N. de Roever, ‘Iets over het Brandwezen te Amsterdam in vroegere eeuwen en over de slang- brandspuiten’, Eigen Haard (1881), p. 9. 27 Feldhaus, Die Technik, p. 952; http://firehistory. weebly.com/the-history-of-hoose-hoase-hause- or-hose.html; https://sciencesensei.com/40- ancient-greek-technology-and-concepts-still- used-today/21/ 28 Verburg, In vuur & vlam, p. 30; Lyckle de Vries e.a., Brand in de 17de eeuw (Tentoonstellingsbrochure Stedelijkmuseum “Het Prinsenhof”). Delft 1976, p. 12. 29 Jan en Nicolaes vander Heiden, Bericht wegens de nieuw-geïnventeerde en geoctroy eerde slang- brandspuiten. Amsterdam: Jan II Rieuwertsz, 1677, p. [3-4]. 30 De Vries, Jan van der Heyden, p. 99-101. Zie over de tekeningen voor het slangbrandspuiten boek: Helga Wagner, ‘Jan van der Heyden als zeichner. Die Zeichnungen für das Buch über die ››Slang- Brandspuiten‹‹’, in: Jahrbuch der Berliner Museen. Jahrbuch der Preußischen Kunstsammlungen. Neue Folge 12 (1970), p. 111-150. 31 A.C. van Eck, ‘Een vervolg op het Brandspuiten- boek van Jan van der Heyden’, in: Oud Holland 54 (1937), p. 85-89. 32 Leydse courant (28-10-1735). 33 https://perkamentus.blogspot.com/2010/08/ brand.html Zie over Koch: Piet J. Buijnsters, Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie. Boek- en prentverzamelaars 1750-2010 (Nijmegen 2010), p. 261-270. Kochs exemplaar werd voor zover bekend voor het laatst verkocht (geveild) op 1 december 2015 bij het veilinghuis Zwiggelaar. Het boek was volgens de catalogusbeschrijving (inmiddels) ook ‘Hier en daar (water)vlekkig’ (https://www.zwiggelaarauctions.nl/index. php?p=a&select=25,272,12985). 34 Die Bibliothek F.C. Koch, Den Haag (Hamburg 1974) Auktion 203 – Am 11. Dezember 1974. Dr. Ernst Hauswedell & Ernst Nolte, nr. 1561. 35 Van Lennep, Moll en Ter Gouw, Nederlands geschiedenis en volksleven in schetsen, ongepagineerd; Klomp, ‘Jan van der Heyden’, p. 21. 36 Van der Heide, Beschryving der nieuwlyks uitgevonden en geoctrojeerde slang-brand- spuiten, p. 16-18; Van Lennep, Moll en Ter Gouw, Nederlands geschiede- nis en volksleven in schetsen, ongepagineerd. 37 NNBW, dl. 3, kol. 585; Kleyn, ‘Jan van der Heyden’, p. 41. Enkele maanden eerder, in juli 1673, was Nicolaas door het Amsterdamse stads- bestuur al belast met het toezicht op de forti- ficatiewerken, de sluizen en de reinigingsdienst (NNBW, dl. 3, kol. 586). 38 Van der Heide, Beschryving der nieuwlyks uitgevonden en geoctrojeerde slang-brand-spuiten, p. 17; Prijs der geoctroyeerde slang-brand-spuiten. Z.p. z.j. Plano, Rijksmuseum Amsterdam, RP-POB-82167. 39 Prijs der geoctroyeerde slang-brand-spuiten. Z.p. z.j. Plano, Rijksmuseum, Amsterdam, RP-POB-82167. 40 Van Lennep, Moll en Ter Gouw, Nederlands geschiedenis en volksleven in schetsen, ongepagineerd. 41 Idem. 42 Idem. 43 Idem. 44 G. Doorman, Octrooien voor de uitvindingen in de Nederlanden uit de 16e-18e eeuw. Met bespreking van enkele onderwerpen uit de geschiedenis der techniek. Den Haag 1940, p. 245; NNBW, dl. 3, kol. 585; Verburg, In vuur & vlam, p. 30-39. 45 Jozien Driessen, Tsaar Peter de Grote en zijn Amsterdamse vrienden. Utrecht, Antwerpen 1996, p. 42-44. 46 NNBW, dl. 3, kol. 585-586. 47 NNBW, dl. 3, kol. 586. 48 NNBW, dl. 3, kol. 585; Vander Heide, Beschryving der nieuwlijks uitgevonden en geoctrojeerde slang- brand-spuiten, titelpagina. 49 NNBW, dl. 3, kol. 586. 50 Idem; Kleyn, ‘Jan van der Heyden’, p. 37. 51 Kleyn, ‘Jan van der Heyden’, p. 33. 52 NNBW, dl. 3, kol. 585, Kleyn, ‘Jan van der Heyden’, p. 37. 53 Verburg, In vuur & vlam, p. 29. 54 Zie: https://iisg.amsterdam/en/research/projects/ hpw/calculate.php 55 Kees Zandvliet, De 250 rijksten van de Gouden Eeuw. Amsterdam 2010, p. 200. 56 Joh. C. Breen, Jan van der Heyden. Overdruk uit Jaarboek Amstelodamum 11 (1913), p. 33. stadswateren. Tot slot stond hij zijn vader ter zijde in het beheer van de straatverlichting.49 Jan de Jonge was getrouwd en had twee dochters met zijn echtgenote Christina de Leeuw, een achterkleindochter van Joost van den Vondel. De ene dochter, Jacoba, huwde een doopsgezinde predikant en de andere, Sara, trad in het huwelijk met de koopman mr. Jan Brants.50 Via Sara van der Heyden bleef binnen het geslacht Brants een familiebijbel bewaard met tal van wetenswaardigheden over het geslacht Van der Heyden.51 Hieruit komt naar voren dat het nageslacht van Jan van der Heyden, de eenvoudige zoon van een olieslager, voorkomt onder de voorouders van heden- daagse adellijke en patriciërsgeslachten.52 Bij zijn overlijden in 1712 liet Jan van Heyden een vermogen na van ongeveer 100.000 gulden.53 Tegenwoordig komt dit neer op ruim een miljoen euro.54 Ter vergelijking: Joan Bleau had in 1672 een geschat vermogen van f 355.000 (een bedrag dat gebaseerd is op een schatting die is gemaakt door Jan van der Heyden naar aanleiding van de brand in de drukkerij van Blaeu).55 De opvolgers van Jan deden daarna ook nog lange tijd goede zaken.56 De merchandising van Jan van der Heyden c.s. en met name het slangbrandspuitenboek speelden een belangrijke rol in hun succes. Vandaag de dag heeft dit boek behalve intrinsieke waarde ook grote documentaire waarde voor onder meer de brandweergeschiedenis, zowel vanwege de gedetailleerde prenten als beschrijvingen, die uniek zijn in hun soort.