Naam
Brand-keure der stad Amsterdam, vervat in drie deelen. 't Amsterdam, by Jan Rieuwertsz, stads-drukker, en boekverkoper, in de beurs-straat, 1685.
text
BRAND-KEURE Der Stad AMSTERDAM. Vervat in drie Deelen. ‘t Amsterdam By Jan Rieuwertsz, Stads-Drukker ‚en Boek- verkoper, in de Beurs-ftraat, 1685. In de volgende Brand-keure, vervat in drie Deelen, behelft Het Eerfte Deel, de Ordres geftelt tot voorkominge van het ontflaan van Brand. Het tweede Deel , de Ordres tot het fpoedig uytten van Brand. En het Derde Deel, hoede Blufch-gereetfchappen in goeden flaat en reparatie moeten worden onderhouden; waar die zijn geplaatft, enhoe veer de zelve,by ontftane Brand, uytgebragt moeten worden. BRAND-KEURE Der Stad AMSTERDAM. EERSTE DEEL Behelzende de Ordres, by mijne Heeren van den Gerechte geftelt tot voorkoming van het ontftaan van Brand. ALso mijne heeren van Den Geregte Der Stad Amfterdam goed gebonden hebben/ De brand-keure van den jare 1681, na de regeneoordige gelegentheden destijds/ te corigeren/ verandere/ amplieren/ en de goede gemeente na voorgaande Publicatie bekent te maken; zo Werd een der mits dezen gelaft en geordonneert/ elk voor zo veel hem aangaat/ te agtervolgen en na te komen de volgende artikulen. I. Datin de oude noch nieuwe Stad/ geen houte Gevels voor noch achter/ noch ook eenige houte Zijdelwanden/ (alwaar ‘tdatse aan hoeken van ftraten/ of fregenquamen)aan eenig Getimmer gemaakt zullen mogen worden; op deverbeurte van viif-en-twintig guldens:en daar en boven binnen veertien dagen na de bekeuring de houte Gevelen en Wanden te moeten demolieren/ op de verbeurte van een pond vlaams voor, elken dag/ dat deselve Gevel of wand daar na zal blijven ftaan. II. Dat niemand duur zal mogen maken anders als in fteene Schoorftenen/ en ook boven de daken geen houte Schoorfteenen: en dat de Schoorfteenen/ tot de hoogte van zeven voeten/ niet minder als een Steen Dik zullen mogen Wezen; uitgesondert de boven Schoofteenen/ die tegen een andere pijp komen; op de boete van Tien gulden/ en binnen een maand na de bekeuringe ’t zelfde te moeten verbeteren/op verbeurte van gelijke Tien guldens voor elke Maand / Die de zelfde Schoorfteenen Daar na onderbetert zullen blijven fraan. III. Dat ook geen haardfteden of vuur-plaatzen op houte zolderingen zullen mogen wezen / maar De zoldering zo ver de vuur-plaats ftrekt zal moeten werden Weg genomen/ en EEN fteene Wulfzel in De plaats gemaakt: zullende ook geen hout baft inde muur ingelaten moggen zijn achter eenige Schoorftenen/of vuur plaatsen; op een boete van Tien gulden en Datelijke verbetering. IV. Dat mede geen hout vande Deynfenen door de Schoorftenen zal mogen fteken/ op de boete van Tien gulden en Datelijke demolitie. V. Dat ook de Brouwers/ verwers/ Schorteldoek-verwers daar onder begrepen/ was-fmelters/ Zeep-zieders/ koperslagers die vuur bezigen/ Backers/ Raffiniers van Suyker/ lootgieters/ Pompe-makers/ Tinne-gieters/ Brandewijn branders / Kuppers/ Scheeps-timmerwerven/ Slote-makers/ Smits/ Zeyl-makers/ Knoop-gieters/ Smeer-fmelters/ Banket-zuyker-bakkers/ Spies-makers/ Geel-gieters/ Olie-flagers/ Pot-As-branders / Goud en Zilver-Draat-trekkers/ Blad-parffers/ Letter-gieters/ Pofte-gieters/ Hoede-makers/ Koffer-makers en alle andere/ meer vuurs tot vordring van haar nering van hebbende/ als tot haar ordinaris Huys-houding noodig is/ Haar Neringe niet zullen mogen doen/ zonder kennis en confent van mijne Heeren van den Geregte; mitfgaders voor dat zy de vuur-plaatzen en kachels van haar neringe/ mijne voorfz. Heeren zullen Hebben vertoont/en zo gemaakt als haar zal worden bevolen; datse ook De zelve namaals niet zullen mogen hermaken/ Dan na voorgaande vertooning/ en vevel als vooren; beyde op boete van Hondert guldends by de Verwers/ Brouwers/ Zuyker-bakkers/ en Zeep-zieders/ en vijftig guldens by de andere voorts. Contraventeurs van deze Ordonnantie te verbeuren/ en daar en boven datelijke domilitie. VI. Verbieden ook alle Timmer-luyden of Metfelaars/ eenige der voorfz. Vuur-plaatfen/ contrarie Deze Odonnantie te maken / op De pene van Tien guldens. VII. Dat mede geen Bak-ovens/ zullen mogen Werden geftelt of gemaakt / dan beneden op De vloer/ en rondom vry van al ’t ander muurwerk/ of getimmer; hebbende ten minften rondom vier Duyin fpelens/ op verbeurte ban Tien guldens/ en daar en boven demolitie ban zulke Ovens. VIII. Zullen ook De kruynen van de Ovens aan geen Zoldering nader mogen komen als twee boeten; op De boete en Demolitie als boven. IX. Ook zal niemand enige Brand-ftof/ als takken en anderfins/ boven of ter zijden dezelve Ovens nader als op twee boeten Daar van mogen leggen op pene van Drie guldens. X. Geen Bakkers zullen eenige Kolen mogen doven Anders als in freene bakken in de aarde/ of in kopere/ yzere/ of diergelijke Potten van Harde materie/ gedekt met yzere of kopere deksels/ en Kolen gedooft zijnde zullen infgelijks nog by Bakkers haalt/ of zelfs gedooft heeft / anders betwaart mogen worden/ als in bakken in de aarde / of in fteene/ kopere/ yfere/ of Diergelijke potten van harde materie/ mede gedekt als boven; alles op pene van Zes guldens/t'elkemaal te verbeuren. XI. Niemand zal ook aan eenige Huysen hoedanig die zijn/iets mogen teeren/ Dan De luyfels alleen; op verbeurte van Tien guldens. XII. Ook zal niemand eenige Heyde/ Takken/ Vlas/ Hennep/ Linne/ Papier/ of enig ander goed dat ligtelijk aan brand raakt/ en al de gene die meer vuur als voor de huyshouding noodig is gebruyken/ ook geen Turf of Hout/ op een voet na aan de pijp van eenige Schoorsteen mogen leggen; op een boete van Zes guldens t’elkenmaal te verbeuren. XIII. Zo wanneer by teekenen bevonden word/ datter kaarffen ergens tegen aan gekleeft zijn geweeft/ zal de Bewoonder des huys verbeuren Drie gulden; welke hy weder zal mogen verhalen aan de gene die ’t zelve gedaan heeft. XIV. Niemand zal ook in de Vuilnis vaten ofte Schuyten heete Als met vuur mogen brengen/ of daar buyten op de Straaten werpen; op penne van Drie gulden/ t’elkemaal te verbeuren: en dit boven de boete die verbeurt werd/ als de vuylnis elders als in de Vuylnis-schuyten gebracht werd. XV. Ook zal niemand dinnen deze Stad eenige Heyde/ Stro of Matten daar van gemaakt mogen op doen/ als in plaatfen/ die rondfom befloten/ by mijne Heeren van den Geregte gezigtigt en daar toe bequaam bevonden zullen zijn; op penne van vijf-en-twintig gulden XVI. Mede zal niemand binnen deze stad eenig Hoy mogen op doen/ dan in plaatften die rondfom met fteene muuren zijn befloten/ zullende al de gene / die eenige Hoy willen op doen. Gehouden zijn zulx de voorfz. Heeren/ of Brand-meefters aan te geven/ ten eynde op de gelegenheyd van de plaatze/ oculaire infpectie worde genomen; op verbeurte van ’t zelde Hoy vonraire deze op gedaan. XVII. Ook zal niemand binnen de Stad of Jurisdictie van dien/ eenige nieuwe Bus-kruyt Huyzen of Molens mogen maken/ dan by schriftelijk confent van de Heeren van den Geregte; op penne van Honder guldens/ behlaven datelijke demolitie/ en andere boeten/ jegens het buyten timmeren voor deze gefratueert. XVIII. Zo zal ook niemand in deze Stad nog binnen de veertig roeden daar vuyten meer Bus-kruyd vinnen zijn huys mogen houden leggen of bewaren/ als zes ponden tot een monfter; op de boete van Dartig gulden/ zo menigmaal iemand daar op bekeurt zal worden/ en daar en boven op de verbeurte van al het kruyd dat boven de zes ponden/ in eenige particuliere huyzen gevonden zal worden. XIX. En dewijl de plaatfen daar men gewoon is heir ter Stede Buskruyt te leggen/ bequaam zijn om te water af en aan te komen/ za er voortaan geen Buskruyt lands de straten mogen worden gefleept; op verbeurte van agt gluden by den Eygenaar/ en Twee gulden by de Sleper te verbeuren. XX. Niemand zal ook ninnen deze Stede/ Swavel of Zalpeter mogen rafineren/ of Vermelioen/ Vernis/ Camfer of Terpentijn maken; op penne van dartig gulden t’elkemaal te verbeuren/ en evenwel dezelfde neeringe aldaar niet te mogen doen. XXI. Ook zullen geen Potte-bakkers/ Eftrik-bakkers/ Gelan-bakkers/ nog Platteel-bakkers binnen deze Stad/ uit bakken mogen doen. Als met keniffe ende congent van mijne Heeren van den Geregte. En volgens de ordre der zelve; op pene van Vijftig gulden. XXII. Word mede een jegelijk verboden eenig Peli/ Teer/ Swavel of Traan in huyzen daar men viert/ of in kelders van zulke huyzen te leggen: en zal voortaan het Pek en Teer niet anders opgeflagen mogen worden als in de huyzen / Plaatzen en Pak-huyzen op mijne Heeren van den Geregte/ daartoe geordineer: namelijntlijk? Op de Sloterdijkerburgwal op de erven/ fie daar op van Stads wegen zijn aangewezen en verpagt. XXIII. Zullen mede binnen dezer Stede geen Eeften mogen werden gebruykt/ dan met yzerelatten/ zonder dat ze op eenig hout zullen mogen ruften: zullende ook die gene die jegenwoordig ander zijn/ niet langer alzo gebruykt mogen werden; op de verbeurte van Vijf-en twintig guldens. XXIV. Geen kuypers zullen in ftegen of ftraten aan wederzijde betimmert/ op ftraat mogen blakeren/ maar ’t zelf de moeten doen binnens huys in fteene Schoorftenen/ by mijne voorfz Heeren eerft en alvoren gevifiteert; op pene van Drie guldens t’elkemaal te verbeuren. XXV. Niemand zal vemogen benden in huyzen die bewoond worden/ eenig Hennep of Vlas te leggen/ meer als zy in haar winkel van doen hebben; op penne van Drie gulden. XXVI. Zal ook niemand binnen dezer Stede mogen Hekelen of Vlaffen/ of doen Hekelen of Vlaffen/ dan in een voorhuys open venfteren en deuren: en niet op eenige zolders/ kamers of agter-huyzen/ op penne van tien guldens: gelijk men zulks ook niet zal mogen doen/ dez morgens voor vijf uuren/ nog des avonds na negen uuren; op de verbeurte van drie guldens. XXVII. Des morgens voor dage/ en ’s avonds by donder Vlaffende en Hekelende/ zal men geen ligt mogen gebruyken. Dan in befloten hengende lantarens/ op een gelijke boete van drie gulden te verbeuren. XXVIII. Zullen ook de Vlafters/ zoo lange zy by de kaars werken/ en Vlaffen/ in geenderley manieren/ eenige vuur by haar mogen hebben of gebruyken; op penne van Drie gulden by den bewoonder der huys te verbeuren/ die dezelve weder zal mogen verhalen aan de genen/ doe contrarie dezen eenige vuur by haar gehad of gebruykt zullen hebben. XXIX. By brievend weder of befloten water/ zal voor de nevel alle uytgangen van veurgaande Straten/ Stegen en Slopjes/ op Graften of Burg-wallen uytkomende/ ’t zy daar voor een brug gelegen is of niet/ mitfgaders voor/ neven of in ieder burgwal die op een andere burgwal uyt komt/ een Bijt moeten worden gemaakt van twaalf boet in ’t vietkant/ voor de Bewoonders van de twee hoek-huyzen daar nevens aan ’t water ftaande/ die dezelfde by continuatie van dorft/ alle morgen ook wederom zullen moeten openen en klaarmaken; op penne van Drie gulden te verbeuren; zo menigmaal bevonden zal worden/ ‘r zelve nagelaten of verzuymt te zijn/ zullende de bewoonders der voorfz. Hoek-huyzen daar voor vry wezen van de Bijt rondom de Stad te moeten helpen opmaken/ of daartoe te contribueren. XXX. En op dat al ’t gene vootfz is/ en ook dat hier na volgt behoorlijk zoude gevordert en nagekomen worden/ zo zullen voortaan de generale Opzigters van de Brand-fputen mede opzigt hebben te nemen/ op al het gene den Brand betreft. En onder de naam van Generale Brand-meefters hebben te bezorgen/ dat alle d’ordres in deze en de fcheeps Brand-keure begrepen/ behoorlyk worden nagekomen/ en eenige contrabentie of verloop befpeurende/ te weeg brangen. Dat daar inne op tijds worde voorzien/ dat ook de Brand-fchouw behoorlijk en op zijn tijd worde gedaan/ en noyd ver zuympt/ dat alle de Blus-gereedschappen in goeden ftaat en reparatie worden onderhouden/ dat de Bluffing fpoedig en ordentelijk gefchiede/ en wat de smeer zou mogen wezen. XXXI. En werden de Brand-meefters van de wijken te zamen/ en elk in ’t bzonder/ gelaft en geauthorifeert omme nevens de Heeren Capiteyns/ Luytenants en andere Officieren van de zelve Wijken/ zo dikmaals/ en op zodange plaatzen als zy ’t zelve oorbaar zullen agten Brand-fchouw te doen/ en ten minften eenmaal des jaars te gaan bezien hoedanig de haardfteden of vuur-plaatzen die tot hand-werk of neringgebruykt worden (in ’t voorgaande vijf de Articul opgetelt) midfganders der zelver Schoorftenen/ zo binnen als buyten de daken zijn geconditioneert/ hoe na dat Turf/ Hout/ en andere ligt brandend ftoffen de vuurfteden/ en de pijpen van die fchoorftenen leyd/ of de Bakkers haar koolen behoorlijk doven en bewaren/ of ergens eenig Hop/ Stroo / Matte of Heude op periculeuze plaatzen leyd/ Of ook elders eenigerhande periculeufe Nering buyten sonfent en tegens de ordre in dezen vaft geftelt word gedaan/ en of iik by iemand eenige Brand-emmers bermift worden/ en het een of ’t ander manquerende/ datelijk de geftelde boete at te vord’ren/ en verder ’t zelve te doen remedieren en verzien/ als zy-luyden te rade en de nodig dinden zullen; sullende de Generale Brand-meefters gehouden zijn in ’t doen van deze Schou te sffifteren: en werd daar toe geftelt den eerften September/ om van de wijk No. I af te beginnen/ en in ordre tot de laatfte toe te vervolgen.