text
‘‘De kat uit de boom kijken’ Het redden van dieren door de brandweer Annet Ruseler Van veetakels tot zuurstofmaskers: de brandweer ontwikkelt zich al decennialang om naast mensen ook dieren te redden. Dit artikel belicht de veelzijdige hulpmiddelen, technische innovaties en de groeiende maatschappelijke betrokkenheid die ervoor zorgen dat dieren bij noodsituaties niet vergeten worden en op een veilige manier geholpen kunnen worden. Inleiding Het gebeurt met enige regelmaat dat de brandweer een kat uit een boom redt. Door onze huidige omgang met huisdieren kan de brandweer daarbij rekenen op de nodige sympathie van de burger en leidt dit niet zelden tot aandacht van de media. Hoewel deze reddingsacties niet behoren tot de hoogste prioriteit van de brandweer, is bij veel mensen bekend dat je hiervoor de brandweer wel kunt inschakelen. Brandweer Nederland zegt hier zelf over: ‘Voor een kat die langer dan 48 uur in de boom zit en er niet uit wil of kan komen, kun je de brandweer bellen via 0900-0904.’ In de regel wacht de brandweer 48 uur voordat ze ingrijpt, tenzij hun diensten elders vereist zijn. Veel brandweermensen stellen dat katten meestal zelf hun weg wel weer naar beneden vinden. Een vaak gehoorde opmerking binnen de brandweer is dan ook: ‘Heb je ooit een kattenskelet in een boom gezien?’. Maar de angst bij katten die vele uren of soms dagen hoog in een boom zitten en (in eerste instantie) niet naar beneden durven, en de emotie bij de eigenaar(s) van de dieren spelen natuurlijk ook een rol. Een redding kan veel leed wegnemen en in sommige gevallen het overlijden van dieren voorkomen. Het redden van katten uit bomen of breder het redden van huisdieren uit benarde posities, spreekt erg tot de verbeelding, maar de werkzaamheden van de brandweer op het gebied van het redden van dieren zijn al heel lang veel breder. Deze bijdrage is het resultaat van een eerste verkenning van dit onderwerp. Het redden van dieren als officiële brandweertaak In 1955 verscheen de uitgave Handleiding voor de brandweer. Dit tweedelige boekwerk, bestaande uit een tekstdeel en een platenatlas, werd samengesteld door de Inspectie voor het Brandweerwezen, opgericht in 1940. Het was bedoeld om op nationaal niveau de eenheid van de opleiding te bevorderen en de eerste dergelijke officiële handleiding in zijn soort. In de eerste drie alinea’s van de inleiding van het tekstgedeelte staat met betrekking tot het redden van dieren: Het waken voor de veiligheid van mens en dier en van goederen is een plicht die op ieder rust. Wanneer deze veiligheid door brand wordt bedreigd kan de enkeling, vooral wanneer de brand niet meer in het beginstadium verkeert, weinig of niets bereiken en treedt de brandweer op. […] Het zou echter niet juist zijn te veronderstellen dat de brandweer zich uitsluitend bezighoudt met het blussen van brand en wat daarmede samenhangt. […] In vredestijd wordt de hulp van de brandweer bovendien vaak ingeroepen in gevallen die met brand niets uitstaande hebben, doch waarbij de veiligheid van mens of dier op het spel staat, zoals tengevolge van stormschade aan gebouwen of bij verkeersongevallen. […]’ In hoofdstuk 6 wordt vervolgens een passage gewijd aan ‘Het redden van dieren’, die luidt: b. Het redden van dieren Voor zover mogelijk zullen alle pogingen in het werk worden gesteld dieren, welke in moeilijkheden of gevaar verkeren, te redden. Het leven van de redders mag hierbij echter geen gevaar lopen. Daar het gevaar van rook of vlammen in het algemeen niet door de dieren wordt beseft en zij moeilijk te bewegen zijn de vertrouwde stal te verlaten , levert het redden van paarden en vee vele moeilijkheden op. De redders moeten daarbij door de eigenaar en zijn personeel die de dieren kennen, worden geholpen. Paarden en koeien moeten één voor één worden weggevoerd. Om te voorkomen dat het zal schrikken voor vlammen, dient een paard een zak of een deken over het hoofd te worden gegooid, terwijl het achteruit de stal wordt uitgebracht. Schapen dringen bij elkaar en zijn moeilijk weg te krijgen. Doch wanneer er één schaap over de dam is volgen er meer! Varkens en kalveren moeten in de regel, zo mogelijk, gebonden naar buiten worden gedragen. Het is zaak dat de geredde dieren naar een afgesloten weide of terrein worden gedreven, daar zij zullen trachten naar de stal terug te keren. Pluimvee moet worden gevangen en in korven worden weggevoerd. Het was voor zover bekend voor het eerst dat in een brandweerhandleiding, nationaal of lokaal, of handboek (zo uitgebreid) aandacht werd besteed aan het redden van dieren, zij het niet van (kleine) huisdieren. Vervolgens werd in de Brandweerwet van 1985 als taak opgenomen: ‘het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand.’ In de Wet Veiligheidsregio’s, die de Brandweerwet van 1985 in 2010 verving, is deze taak gehandhaafd. Het redden van dieren door de brandweer gaat echter veel verder terug, hoewel vooralsnog geen officiële informatie daarover is gevonden Het Sincktoestel Eind negentiende eeuw runde Gerrit Sinck samen met zijn zoon Johan Christoph een leerlooierij en een paardenslagerij in Amsterdam. In die tijd bepaalden paarden, die karren en wagens voorttrokken, nog het straatbeeld. Er gebeurden relatief veel ongelukken met paarden; ze vielen regelmatig in de gracht of gleden uit op het wegdek. Sinck was een slimme zakenman die tegen betaling deze paarden redde, en als een paard niet meer te redden viel, kocht hij het voor zijn leerlooierij en slagerij. De familie Sinck had uitsluitend een economisch belang; het was hen niet te doen om het welzijn van het dier. In het begin gebeurde het redden nogal primitief, waarbij paarden met touwen via de bomen langs de gracht werden opgetrokken. Deze methode was vaak inefficiënt, tijdrovend en uiteraard dieronvriendelijk. Veel paarden kwamen hierbij dan ook te overlijden. Omdat levende paarden meer opleverden dan dode bedachten de Sincks een betere en snellere manier om paarden uit de gracht te kunnen redden: een driepoot met een hijstakel en een ketting. Om snel ter plaatse te kunnen komen, werd deze driepoot op een voertuig geplaatst. Deze constructie staat bekend als het ‘Sincktoestel’. Het toestel was een enorm groot succes en kreeg al snel de nodige publiciteit. Meerdere steden schaften op basis van dit nieuws een dergelijk toestel aan. Dat het toestel populair en vernieuwend was, blijkt ook uit het feit dat Sinck een model van zijn uitvinding liet maken en om te presenteren op de Wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam. Dit model bevindt zich in het Amsterdam Museum. Op de kraanwagen bevond zich een schaar, een soort grijper, die om de buik van het paard sloot, om het dier te kunnen ophijsen. Bij kleinere paarden werd ook een borst- en buikriem gebruikt die aan de schaar werd bevestigd, zodat ze er niet uit konden vallen. In veel gevallen werd ook een touw om het hoofd van het paard vastgemaakt. De verrijdbare takel was alleen in Amsterdam maar liefst vijftig keer per jaar nodig om een paard uit de grachten te halen, dus bijna één keer per week. Vanwege de grote vraag besloot Sinck de rijtuigenmakerij A. Koppe over te nemen, waar hij zijn wagens altijd liet maken. Toen begin twintigste eeuw steeds minder paarden in het straatbeeld van Amsterdam te zien waren bood Sinck zijn toestel in 1917 te koop aan. In de krant verscheen een bericht dat het jammer zou zijn als het toestel uit Amsterdam zou verdwijnen omdat het een bekend fenomeen was. De krant stelde: ‘Een waterongeluk zonder Sinck was geen ongeluk.’ Uiteindelijk kocht de gemeente Amsterdam het toestel, waarmee het begin van succesvolle toepassing daarvan bij de Nederlandse brandweer werd ingeluid Het Sincktoestel bij de brandweer De gemeente Amsterdam besloot de taak van het redden van paarden uit grachten en sloten over te dragen aan de gemeentelijke reinigingsdienst. Deze keuze bleek echter geen succes omdat het vaak te lang duurde voordat de hulpverleners ter plaatse waren. Daarom werd in 1919 besloten om de kraanwagen onder te brengen bij de brandweer. Ook in andere steden, zoals in Den Haag, werd het toestel, een ‘tweepaardskraanwagen’, door de brandweer in gebruik genomen. Een opvallende vermelding in het jaarverslag van de Haagse brandweer uit 1919, is dat het paard dat de kraanwagen trok bij de reinigingsdienst, niet langer geschikt was voor het zware werk toen de kraan overging naar de brandweer en dat de brandweer het dier dankzij bemiddeling van de Sophia-Vereeniging tot Bescherming van Dieren verkocht. Tot ver in de jaren dertig van de twintigste eeuw bleef de uitvinding van Sinck bij de brandweer in gebruik, vooral in de grote steden met veel binnenwater, van Amsterdam tot Groningen. Naast het blussen van branden werd de hulpverleningstaak van de brandweer in de loop van de tijd steeds belangrijker. Het sneller ter plaatse kunnen komen met het Sincktoestel droeg aanzienlijk bij aan het succes van de reddingsacties. De kraanwagen was uitgerust met een hijsvermogen van 2,5 ton en beschikte over een handlier en kraan die op een slee stonden en verplaatsbaar waren. Binnen enkele minuten na het alarm rukte de wagen uit. Het paard, en later ook steeds meer auto's, werden met touwen of kabels aan een haak bevestigd en omhoog getakeld. De achterkant van de kraanwagen werd naar de kant van het water gereden en de watertank, die ook als bok diende, werd als contragewicht gebruikt. Het belangrijkste onderdeel van de kraanwagen, om een paard uit het water te halen was de schaar, een soort grijper waar de buik van het paard tussen geklemd werd. Als de wagen niet bij het water kon komen werd soms gebruikgemaakt van singels die om de buik van het dier werden gebonden. Wanneer het paard te diep in de modder vastzat werd een gasbuis met oog gebruikt om het touw of de singel onder de buik door te trekken. In het tijdschrift Vuur en Water uit 1922 stelde brandmeester J. Zimmermann in zijn artikel over het Sincktoestel dat het jammer was dat de brandweer nog niet beschikte over een autokraan met een draaibare kraan in plaats van een paardentractie. Reeds het jaar daarop liet de brandweer van Den Haag de tweepaardskraanwagen ombouwen tot een autokraanwagen door de bekende Rotterdamse firma Bikkers. In Den Haag werden in de daaropvolgende jaren vele paarden uit hun benarde situatie gered. Tegen een iets hoger tarief werd de wagen ook ingezet voor het redden van paarden buiten de gemeente. De paardenbroek De kraanwagen werd ook gebruikt om gevallen paarden weer rechtop te zetten of om ze mee te vervoeren, wat niet met de schaar werd gedaan. Een andere innovatie was de zogenaamde ‘paardenbroek’, een linnen zeildoek met stro dat om de buik van een gevallen paard werd bevestigd om het op te hijsen of te vervoeren. Het paard werd als het ware in de broek gehangen, waarbij het zeildoek om de buik werd vastgebonden met staaldraad. Het zeildoek was om een rond stuk hout gerold, en deze rol werd tegen de rug van het paard gelegd. Met een stuk touw werden de benen van het paard, die op de grond lagen, over de rol getrokken waarna het zeildoek werd uitgerold. De paardenbroek wordt tot op de dag van vandaag als hulpmiddel gebruikt. In de collectie van Korpora bevindt zich hiervan een bijzondere versie, die door de Haarlemse brandweer is gemaakt van oude brandweerslangen. Volgens Martin Crispijn van het Brandweermuseum Hellevoetsluis, waar de paardenbroek tentoongesteld wordt, dateert deze van vóór 1970. Dit is af te leiden van het materiaal waar de slangen van vervaardigd zijn, vlas. Deze zogenaamde vlasslangen zijn in de jaren ’70 vervangen door de bekende rode nylonslangen. Dat dit in de jaren 70 door meer korpsen werd gedaan blijkt uit eenzelfde paardenbroek van de brandweer uit Katwijk. De paardenbroek is nog steeds in gebruik en inmiddels zijn er gespecialiseerde bedrijven die dit hulpmiddel verkopen. In een voorschrift over de standaarduitrusting van brandweervoertuigen uit 2019 staat dat een hulpverleningsvoertuig type 1, met een specifieke taak ten behoeve van optreden bij waterongevallen, vanaf 2008 moet beschikken over een ‘reddingsbroek’ indien het voertuig is voorzien van een autolaadkraan of veetakel. Samenwerking met verenigingen ter bescherming van dieren Belangrijk voor de stimulering van het redden van dieren en hun welzijn zijn ook de verschillende verenigingen tot bescherming van dieren geweest. Deze verenigingen waren voornamelijk actief in de grote steden. Ze loofden vaak beloningen uit voor het redden van dieren en stelden diverse misstanden aan de kaak. Ook werkten zij vaak samen met de politie en de brandweer. Een van deze verenigingen is de Sophia-Vereeniging uit Amsterdam, die tot op de dag van vandaag bestaat. De Koningin Sophia-Vereeniging tot Bescherming van Dieren werd in 1867 opgericht door Koningin Sophia, de eerste vrouw van Koning Willem III. Het initiatief kwam van haar lijfarts, dokter W. Hendriksz. Sophia vond dat de beschaving van een volk is af te lezen aan de manier waarop het met dieren omgaat. De inzet tegen dierenleed van deze verenigingen eind negentiende en begin twintigste eeuw is ook terug te vinden in kleine krantenberichtjes. De Rotterdamse afdeling van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren zorgde ervoor dat bij vorst en sneeuw bruggen begaanbaar bleven voor paarden. Daarnaast werden voor meerdere dieren die te water waren geraakt reddingsbroeken beschikbaar gesteld. [afb] 10 Prins Hendrik woont in mei 1921 een demonstratie bij van het Sinck-toestel van de Haagsche brandweer op de tentoonstelling van de dierenweek in de Haagsche dierentuin. Foto E. Visser van Weeren. Nationaal Archief, Den Haag Particulieren meldden bij deze verenigingen ook vaak mishandelingen van dieren dat werd doorgegeven aan veldwachters. De Sophia-Vereeniging was in 1889 door een groot legaat in de gelukkige omstandigheid dat ze een eigen inspecteur, een onbezoldigd rijksveldwachter, kon aanstellen. Het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren reikte jaarlijks beloningen uit aan politieagenten van verschillende steden of dorpen voor het voorkomen van dierenmishandeling. De verenigingen waren ook betrokken bij de aanschaf en inzet van middelen door bedrijven en gemeenten voor het verbeteren van het welzijn van dieren. De dierenvereniging ‘De Nederlandsche Roode Ster’ uit Den Haag meldde tijdens een ledenvergadering in april 1919 dat het toestel (het Sincktoestel), dat voorheen bij de gebouwen van de Reinigingsdienst stond, nu in overleg met de vereniging was gestationeerd in het brandweergebouw aan de Prinsestraat. Naar aanleiding van enkele ongelukken met paarden te water en een ingezonden brief daarover, startte het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad op 8 oktober 1924 een discussie over de vraag of de aanschaf van een hijstoestel niet gewenst was. Omdat vooralsnog weinig paarden te water waren geraakt vond de politie de aanschaf van een Sincktoestel echter niet urgent. Ook de hoge kosten die hiermee gepaard gingen speelden hierbij een rol. De Utrechtsche Vereeniging voor Dierenbescherming had enkele jaren eerder aangeboden de kosten te dragen, maar het plan liep vast op het feit dat het hijstoestel op een autochassis geplaatst moest worden. De krant stelde voor dat de zaak opnieuw zou worden bekeken omdat zij van mening was dat een dergelijk toestel wel in Utrecht thuishoorde. Helaas vinden we geen informatie meer in de krant over de vraag of de gemeente Utrecht uiteindelijk een toestel heeft aangeschaft. In 1869 dienden de verenigingen een officieel verzoek in voor een speciale dierenbeschermingswet en in 1880 stelde de Tweede Kamer uiteindelijk een aantal verordeningen op ter bescherming van dieren. Het duurde vervolgens nog jaren totdat het redden van dieren in een wet werd opgenomen. Wetgeving en handleidingen voor het redden van dieren In handboeken en handleidingen van de brandweer van vóór 1985 wordt het redden van dieren niet expliciet genoemd. Wel staat in een elementaire handleiding voor reddingswerk van de Bescherming Bevolking, uit 1952, een kleine paragraaf over het redden van dieren. In de handleiding wordt gesteld dat de redding van mensen altijd voorrang heeft, maar dat er aandacht moet zijn voor gewonde dieren. Het advies luidt om gewonde katten en honden bij hun nekvel te pakken, handschoenen te dragen en ze aan het asiel over te dragen. Voor opgesloten vee geldt dat dit moet worden bevrijd en in een weiland moet worden losgelaten. De taken van de brandweer zijn vandaag de dag voornamelijk gebaseerd op de Brandweerwet uit 1985. In die wet worden twee hoofdtaken van de brandweer omschreven, waaronder de tweede mede met betrekking tot dieren: - Het beperken en bestrijden van gevaar voor mens en dier bij ongevallen anders dan bij brand. Op 1 oktober 2010 werd deze wet vervangen door de Wet veiligheidsregio's (Wvr). Hierin is de Brandweerwet samengevoegd met de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo) en de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (Wet Ghor). Het betrof hoofdzakelijk aanpassingen van technische aard en de wettelijke taken en bevoegdheden binnen de bestuurlijke structuur van de Wvr. In de Wet veiligheidsregio’s is het nu voor naast brandbestrijding mede met betrekking tot dieren als volgt vastgelegd: - Beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand. Het redden van grote huisdieren of landbouwdieren De technieken die vandaag de dag door de brandweer worden gebruikt voor het redden van grote huisdieren, zijn nog steeds grotendeels gebaseerd op de principes van het Sincktoestel. Echter, de training en materialen zijn de laatste jaren aanzienlijk gemoderniseerd. Nog rond het begin van de eenentwintigste eeuw bevatte het lesmateriaal voor de brandweer echter nauwelijks informatie over de veiligheid van mens en dier. Harko Kwakernaat, een brandweerman met een passie voor paarden, begon 20 jaar geleden met het verzorgen van lezingen over paardenredding bij de brandweer. Inmiddels is zijn aanpak uitgegroeid tot een professioneel trainingsbedrijf dat jaarlijks zo’n 150 trainingen verzorgt voor de brandweer, politie en dierenartsen. Volgens Kwakernaat is kennis van dierengedrag cruciaal om een redding succesvol uit te voeren en om ongelukken te voorkomen. Harko heeft ook een boek geschreven: Eerst denken, dan redden. Zijn stelling is: ‘Als je kennis en kunde hebt, kun je ook de risico’s goed inschatten.’ Tim, de zoon van Harko, heeft het werk van zijn vader overgenomen en verder gemoderniseerd. Hij maakt bijvoorbeeld gebruik van Facetime om ter plaatse advies te geven bij incidenten. In 2001 was het redden van dieren een aparte keuzemodule bij de opleiding voor het uitrukken met een hulpverleningsvoertuig, aangeboden door het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (Nibra, 1996-2010), de voorloper van het Nationaal Instituut Publieke Veiligheid (NIPV, 2010-heden). De cursisten kregen een klein boekje en een videoband toegestuurd en de les duurde slechts twee uur. Tegenwoordig wordt een brandweerman of -vrouw algemeen opgeleid en is er standaard lesmateriaal over het redden van dieren. De technieken die rond 2001 in de lesstof stonden waren sterk verouderd en brachten teveel risico’s met zich mee voor de brandweerlieden. Voorbeelden hiervan zijn het plaatsen van een zak over het hoofd van het paard, het verjagen van een paard of het feit dat de brandweerman in het water moest gaan zitten om het paard te begeleiden. Volgens Tim Kwakernaat ontbrak het aan een degelijke opleiding, waardoor nieuwe inzichten noodzakelijk waren. In de lesstof uit 2008, bestemd voor bevelvoerders hulpverlening van het Nibra, wordt hulpverlening aan dieren verdeeld in twee categorieën: kleine en grote huisdieren. Onder grote huisdieren verstaat de brandweer paarden, koeien en varkens. Onder kleine huisdieren onder andere katten, honden en vogels. Bij vogels gaat het vooral om dieren die vastgevroren zitten in het ijs. In alle gevallen geldt dat de risico’s voor de hulpverleners altijd goed moeten worden afgewogen. De redding van een dier mag nooit onaanvaardbare risico’s opleveren voor de hulpverlener. In landen als België en Engeland zijn al jaren gespecialiseerde dierenreddingsteams actief. Het dierenaspect is daar ook veel meer geïntegreerd in de opleiding. In Nederland werd de behoefte aan gespecialiseerde teams voor dierenredding pas echt duidelijk na een zwaar ongeval met een duiker. Hierdoor werd ook bij het NIPV de aandacht voor het redden van dieren urgenter en werden de Kwakernaaks ingeschakeld voor trainingen en het ontwikkelen van nieuwe lesstof. Sindsdien is ook in Nederland een ontwikkeling gaande waarbij gespecialiseerde teams worden opgezet om dieren in nood te redden. Vandaag de dag valt het redden van dieren bij de brandweer onder de Technische Hulpverlening (THV). In gebieden met veel water of veehouderijen zien we ook andere specialistische teams. De brandweerkorpsen van Boekel en Berlicum in Brabant hebben Technische Takel Teams die regionaal worden ingezet ter ondersteuning van andere korpsen bij incidenten die te maken hebben met het redden van grote (huis)dieren in besloten ruimten of andere moeilijk bereikbare plaatsen. De brandweer Giethoorn heeft een oppervlaktereddingsteam (OVRT) om oppervlaktereddingen uit te voeren van mens en dier. Dit zijn reddingen waarbij het slachtoffer zich dicht bij de kant bevindt, nog boven water is en maximaal 200 meter van de kant. Het oppervlaktereddingsteam kan samenwerken met een duikteam. Het verschil tussen beide teams is dat het duikteam het slachtoffer verticaal uit het water haalt, terwijl het oppervlaktereddingsteam dit horizontaal doet. Veel brandweerkorpsen die te maken hebben met het redden van grote huisdieren volgen voor meer specialistische kennis een training bij het bedrijf van Kwakernaak. Het ontbreekt vaak aan specifiek ‘dierenredmaterieel’ in de standaarduitrusting van de voertuigen van de hulpdiensten. Kwakernaak ziet echter steeds meer ontwikkelingen waarbij brandweerkorpsen specifiek materieel voor het redden van dieren aanschaffen en tevens speciale dierenteams samenstellen. Middels deze training biedt Kwakernaak een compleet pakket aan om de brandweermensen zowel te voorzien van middelen als van kennis. Kwakernaak geeft de voorkeur aan trainingen op locatie en met levende dieren. Soms maakt hij gebruik van een oefenpaard van kunststof, maar dan gaan cursisten er vaak minder serieus mee om. De brandweermensen wordt geleerd de dieren zoveel mogelijk zelf te laten meewerken tijdens de redding. Paarden werken vaak mee aan hun redding door hun benen te geven om hen uit het water te trekken, maar dit werkt niet bij koeien. Kennis over het gedrag van verschillende diersoorten in noodsituaties is daarom noodzakelijk. De technieken en materialen die bij paarden worden gebruikt, zoals het aanbrengen van een praam (een knevel om het paard tijdelijk rustig te maken) of paardenbroek, zijn volgens Kwakernaak van groot belang. Naast bovenstaande technieken speelt volgens Kwakernaak preventie een belangrijke rol om te voorkomen dat dieren in nood raken en gered moeten worden. In het voorjaar en de zomer staat het vee voornamelijk in de wei, waardoor de kans groot is dat dieren op zoek gaan naar water en in een sloot terechtkomen. Hij adviseert daarom om drinkbakken in de weilanden te plaatsen, zodat dieren niet op zoek hoeven te gaan naar water en ook niet in de sloot kunnen belanden. Daarnaast wijst hij op het belang van goede afrasteringen om ongelukken te voorkomen. Stalbranden Stalbranden blijven een groot risico, vooral in de wintermaanden, wanneer het vee van de wei naar de stal verhuist. De Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren stelde al in 1923 een commissie in om maatregelen te bedenken teneinde het aantal slachtoffers onder vee te verminderen. Uit onderzoek bleek dat het stuk voor stuk losmaken van dieren de beste manier was om paniek te voorkomen. Dit idee werd verder uitgewerkt in een systeem dat in meerdere stallen werd toegepast. Vroeger ontstond in de winter vaak brand door hooibroei, het gebruik van vuur, open stallantaarns, elektriciteit bij het melken of door kortsluiting. Begin jaren twintig van de twintigste eeuw werd nagedacht over manieren om deze branden te voorkomen en het aantal slachtoffers zoveel mogelijk beperkt te houden. Echter, in die tijd lag de focus vooral op economische aspecten, zoals schadeverzekeringen, en niet op het dierenleed. In het Algemeen Handelsblad van 1876 werd benadrukt dat de krant veel meldingen kreeg van de vele dierenslachtoffers bij branden. In het artikel werd gepleit voor de aanschaf van een systeem bij veehouderijen, waarbij paarden gelijktijdig konden worden losgemaakt tijdens een brand. Dit systeem bestond uit een hefboom die een stang verschuift, waardoor alle ringen van de paarden vrijvallen en ze aan hun halsterkettingen naar buiten kunnen worden gebracht. En ‘Voor een groot aantal paardenstallen zijn verder voor hetzelfde doel zeer aan te bevelen de lantierboomen op eene dergelijke wijze in te richten als bij de Amsterdamse Brandweer, waar men door op eene knip te drukken allen gelijktijdig naar boven kan laten gaan’. In 1923 schreef een commissie van de Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van dieren een prijsvraag uit voor het ontwerpen van systemen waarmee vee snel en veilig uit brandende stallen kon worden bevrijd. De inzending van J.J. van Broekhoven uit Wijchen bleek het meest geschikt voor verschillende stallen en werd in een bestaande stal uitgeprobeerd. Het systeem werkte met twee hendels die buiten de stal werden gemonteerd. De eerste hendel diende om de dieren tegelijkertijd los te maken, terwijl de tweede de deuren opende. Uit tests bleek echter dat de installatie moeilijk in bestaande stallen te plaatsen was omdat de infrastructuur daar niet op was ingericht. Zo beschikten oudere stallen vaak niet over naar buiten openslaande deuren, wat een vereiste was. Later, in 1928, werd bij de nieuwbouw van een boerderij in Utrecht voorgesteld om dit systeem te implementeren. De brandweer van Utrecht vroeg hierbij om advies aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Hun oordeel was positief: het systeem werd als geschikt beschouwd, maar niet per se beter dan andere, soortgelijke systemen. Volgens een van de deskundigen was een risico dat het systeem na verloop van tijd kon gaan haperen door roestvorming, wat regelmatig onderhoud noodzakelijk maakte. Een andere deskundige stelde dat het voorkomen van slachtoffers bij stalbranden er vooral van afhing of het vee niet in paniek raakte, wat alleen mogelijk was door de dieren stuk voor stuk los te maken en naar buiten te brengen. Door het gelijktijdig loslaten van de dieren was volgens hem de kans op paniek groot. Daarom werd ook nog advies ingewonnen bij de hoogleraar en directeur van het Zoötechnisch Instituut van de Rijksuniversiteit Utrecht, hoogstwaarschijnlijk Gerardus Marinus van der Plank. Deze stelde dat, hoewel het ideaal zou zijn om de dieren stuk voor stuk los te maken, dit niet altijd realistisch was, en pleitte voor een systeem om de dieren snel los te maken. De commissie concludeerde dat als het systeem zou blijven functioneren zeker aan te raden viel om dit te installeren, omdat het beter was om enkele dieren te redden dan geen een. In een rapport van de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren uit 1925 werd het belang van dit systeem onderstreept, vooral bij nieuwbouwprojecten. Het probleem was echter dat er nog maar weinig ervaring was opgedaan met dergelijke systemen. De heer Vleming van de Utrechtse brandweer riep, in een artikel in Vuur en Water lezers op die ervaring hadden met dergelijke systemen om hun inzichten te delen met de brandweer. Stalbranden zijn ook vandaag de dag regelmatig in het nieuws en behoren bijna tot de actualiteit van de dag, vooral omdat er vaak veel dieren omkomen. Uit een rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid blijkt dat de veiligheid van landbouwhuisdieren ten aanzien van stalbranden in de afgelopen decennia zelfs is afgenomen. In de periode tussen 2012 en 2020 waren er jaarlijks gemiddeld 37 stalbranden, waarvan 17 met dodelijke gevolgen voor de dieren. Gemiddeld stierven er 143.000 dieren per jaar, wat neerkomt op bijna 1,3 miljoen dieren in totaal. Het aantal stalbranden en dodelijke slachtoffers is in de loop van de tijd zelfs toegenomen. De raad streefde ernaar het dierenleed als gevolg van stalbranden te verminderen en legde de verantwoordelijkheid daarvoor neer bij degenen die professioneel landbouwhuisdieren hielden, omdat deze dieren voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van de mens. De voorgestelde maatregelen van de raad waren echter sterk bedrijfseconomisch van aard. De toenmalige normen en regelgeving boden weinig mogelijkheden om de brandveiligheid in stallen te verbeteren. Er werd onvoldoende systematisch onderzoek gedaan naar factoren die de overlevingskansen van dieren bij een stalbrand konden vergroten. Hierdoor gingen waardevolle kansen verloren om het aantal slachtoffers te beperken. De grootschalige, gesloten huisvesting van dieren bracht inherente risico’s met zich mee, en met de schaalvergroting van de veehouderij nam dit risico verder toe. Er ontbrak effectieve regelgeving om te voorkomen dat bij een stalbrand grote aantallen dieren omkwamen. Bovendien ontbrak vaak de controle op de bestaande regelgeving. Gezien de beperkte mogelijkheid om dieren te evacueren werd aanbevolen om bij het bedenken van passende maatregelen de nadruk te leggen op het voorkomen van brand en het beperken van de uitbreiding ervan. Deze maatregelen botsten echter vaak met andere wetgeving. Om bijvoorbeeld te voldoen aan bepaalde milieueisen bij de veehouderij moesten vaak extra elektrische installaties in stallen worden geplaatst, wat het risico op brand of snelle verspreiding van vuur vergrootte. Ook zonnepanelen op staldaken droegen bij aan dit verhoogde risico. Daarom pleiten verschillende instituten tegenwoordig voor een integrale aanpak voor de veiligheid in stallen. Vanwege de beperkte mogelijkheden om dieren te evacueren tijdens een stalbrand, wordt aanbevolen om maatregelen te nemen die de overlevingskansen van dieren vergroten. Hierbij moet de focus vooral liggen op het voorkomen van brand en het beperken van branduitbreiding. Hoewel technische maatregelen belangrijk zijn, moet ook worden gekeken naar preventieve acties. Dit blijft noodzakelijk omdat dieren zoals inmiddels duidelijk moge zijn niet zelfredzaam zijn in noodsituaties. Het evacueren van dieren is daarnaast zoals gezegd bovendien diersoortspecifiek. Zo zijn bepaalde dieren, zoals pluimvee en varkens, moeilijk te verplaatsen omdat ze niet gewend zijn aan verplaatsingen en vaak in grote aantallen in beperkte ruimtes leven. Varkens vormen bijvoorbeeld een uitdaging bij evacuaties omdat ze vaak met tientallen in kleine hokken zitten. Dit maakt het moeilijk om ze snel naar buiten te begeleiden zonder dat ze in paniek raken. Volgens Kwakernaat is het probleem bij kippen nog complexer. Wanneer brand uitbreekt in een kippenstal hebben kippen de neiging om te gaan vliegen, wat het vuur kan verspreiden en de situatie snel kan verergeren. Dit verhoogt het risico op snelle verspreiding van de brand en maakt het bijzonder lastig om de kippen te redden. Paarden vormen weer een heel andere uitdaging: in geval van brand blijven ze vaak in hun stal staan, omdat ze deze beschouwen als hun veilige plek. Hierdoor komen ze niet altijd uit zichzelf naar buiten, zelfs niet als de deuren openstaan. Schapen en koeien daarentegen zijn relatief eenvoudiger te redden omdat het vaak al voldoende is om de staldeuren open te zetten en de hele kudde naar buiten te drijven. Deze dieren vertonen doorgaans minder weerstand tegen verplaatsing in noodsituaties omdat ze gewend zijn om in de zomer naar buiten te gaan en ze zijn minder gevoelig voor paniek dan bijvoorbeeld varkens en pluimvee. Kwakernaat stelt dat het bij een stalbrand essentieel is om de dieren een voor een naar buiten te brengen. Dit is echter niet eenvoudig aangezien dieren vaak in paniek raken, wat de reddingsoperatie kan bemoeilijken. Daarom is het belangrijk om vooraf goed na te denken over de manier waarop de dieren gered kunnen worden en om ervoor te zorgen dat er een veilige plek is waar ze naartoe kunnen worden gebracht zodra ze buiten zijn. Paarden zijn bijzonder lastig te redden bij brand, omdat ze vaak terugkeren naar hun stal, die ze zoals gezegd als hun veilige thuis beschouwen. Dit gedrag maakt het openen van stallen en het bevrijden van paarden een complexe taak die speciale vaardigheden en kennis vereist. Een bijkomend probleem is dat paarden vaak in staat zijn om eenvoudige sloten zelf te openen, waardoor stallen meestal goed afgesloten zijn. Tim heeft brandweerlieden getraind in het zogenaamde estafettesysteem voor het redden van paarden: de paarden worden dan, zoals hierboven aangegeven, een voor een uit de stal gehaald waarbij de deuren open blijven staan. Dit is voor de andere paarden het signaal dat de stal leeg is en motiveert ook hen om naar buiten te komen. Naast het redden van de dieren, moet van te voren ook worden aandacht over een veilige opvangplek. Wetgeving en regelgeving voor paardenhouders Volgens Tim is er tot op heden geen specifieke wetgeving voor paardenhouders met betrekking tot brandveiligheid. Wel zijn er regels van kracht voor grote complexen waar concoursen of wedstrijden worden gehouden, waarbij de focus meer ligt op de aanwezigheid van mensen. Hoewel de brandlast van een stal relatief laag is, wat betekent dat de kans op brand klein is, schuilt het risico vaak in aangrenzende bijgebouwen, zoals trekkersschuren, opslagruimtes of kantines. Voor deze ruimtes bestaan nog geen verplichte maatregelen zoals ontruimingsplannen, brandblussers of rookmelders, die voor meer traditionele gebouwen wel gelden. Dit maakt de risico’s voor stallen extra complex. In 2023 zijn strengere regels ingevoerd die vanaf 2028 voor alle dierenbedrijven gelden. De belangrijkste maatregelen zijn de jaarlijkse keuring van elektra, het verplicht brandwerend maken van technische ruimtes in grote stallen en het installeren van branddetectiesystemen. Vanaf 2024 moet er ook iemand aanwezig zijn met een cursus veiligheidsmanagement. Daarnaast wordt een limiet gesteld aan het aantal dieren per brandcompartiment, om risico’s te verkleinen. Bepaalde veiligheidsregio’s, waaronder Noord- en Oost-Gelderland, richten zich momenteel op stallen die zijn gebouwd vóór het Bouwbesluit van 2014, omdat voor deze stallen nog minder regels gelden. Bewustwording van de risico’s en gevolgen is daarbij belangrijk. Volgens Bennie Hekkelman, specialist risicobeheersing bij de brandweer in deze regio, kan het schoonhouden van stallen en het plaatsen van blusmiddelen een effectieve eerste stap in preventie zijn. Stalbranden zijn volgens hem bijna altijd het gevolg van onoplettendheid. Uit het rapport van Wageningen Livestock uit 2023 blijkt dat, naast evacuatie, ook preventieve detectie- en automatische blussystemen essentieel zijn voor brandveiligheid in stallen. Er wordt geadviseerd onderzoek te doen naar methoden om brandoverslag naar andere dierruimten te voorkomen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van brandwerende scheidingen of waterschermen. Bovendien zou compartimentering van technische ruimtes, waar vaak elektrische installaties met een verhoogd risico op brand staan, kunnen bijdragen aan een grotere brandveiligheid in stallen. Uit verder onderzoek van Wageningen Livestock en het NIPV in 2024 is echter gebleken dat de aanbeveling om technische ruimtes in bestaande stallen te compartimenteren, niet altijd haalbaar is. Op boerderijen worden elektrische apparaten namelijk verspreid over het gehele terrein gebruikt, waardoor het lastig is om één enkele ruimte aan te wijzen voor alle risicovolle apparatuur. Tim Kwakernaat: De brandweer moet altijd klaarstaan om snel en effectief te reageren, maar de verantwoordelijkheid voor het zo veel mogelijk voorkomen van ongelukken ligt bij de eigenaar van de dieren. “Als ik ergens ter plaatse kom, neem ik het incident over, net als bij een woningbrand of een auto-ongeluk; we laten de eigenaar ook niet bepalen wat er moet gebeuren. Onze prioriteit is en blijft altijd de veiligheid van de dieren en de hulpverleners.” Het redden van kleine huisdieren of gezelschapsdieren Er is helaas maar weinig gedocumenteerd over de geschiedenis van het redden van kleine huisdieren zoals honden en katten door de brandweer. Het beschikbare materiaal richt zich vooral op grotere dieren zoals paarden en koeien. Om een goed beeld te krijgen van het aantal reddingen van honden en katten door de brandweer in de afgelopen decennia, moeten vooral gedigitaliseerde oude jaargangen van kranten doorzocht worden, een overzichtelijke registratie hiervan ontbreekt. Wel bieden jaarverslagen van de brandweer of alarmeringen, via P2000-meldingen per woonplaats of regio, soms inzicht in het aantal reddingsacties voor zowel kleine als grote huisdieren. De jaarverslagen van de brandweer in Rotterdam tussen 1913 en 1990 laten een interessante ontwikkeling zien. In de vroege jaren richtte de brandweer zich vooral op het registreren van verschillende soorten branden. In de jaarverslagen van 1913 en 1914 worden bijvoorbeeld enkele hooibranden genoemd. In 1942 wordt een brand in een paardenstal gemeld. Pas vanaf de oorlogsjaren begon de brandweer steeds meer aandacht te besteden aan hulpverlening aan dieren. Het jaarverslag van 1946 vermeldde voor het eerst het aantal keren dat de brandweer uitrukte voor een paard te water, wat zeventien keer het geval was. Dit aantal liep in de daaropvolgende jaren alleen maar op: achttien keer in 1947, eenendertig keer in 1948, veertien keer voor vee te water in 1950 en maar liefst 26 keer in 1952. Vanaf de jaren '70 en '80 werd de brandweer steeds vaker ingezet om dieren in nood te redden, bijvoorbeeld als deze bekneld zaten of in het water waren gevallen. Een opvallende ontwikkeling deed zich voor tussen 1974 en 1976, toen voor het eerst het aantal reddingen van katten uit bomen werd geregistreerd. In 1975 werd bijvoorbeeld maar liefst 75 keer melding gemaakt van een kat in een boom, een aantal dat in 1976 hetzelfde bleef, maar dat in 1977 opliep tot maar liefst 210 meldingen. Ook het redden van vogels kwam regelmatig voor: zo redde de brandweer in deze periode 64 keer een vogel die vastzat in het ijs of verstrikt was geraakt in een rookkanaal, en 80 keer het jaar erna. Of deze toename een eenmalige piek was of het begin van een structurele trend, blijft echter onduidelijk. Zoveel is zeker dat de manieren van registreren nogal eens wijzigden in de loop der jaren. In de jaren '90 nam het aantal meldingen van dieren in nood aanzienlijk toe. In 1994 werden maar liefst 1854 meldingen geregistreerd, wat neerkomt op 24% van alle meldingen dat jaar! In 1995 volgden 1655 meldingen, goed voor 21% van het totaal. Het jaarverslag van 1996 beschrijft dat niet alleen mensen, maar ook dieren dat jaar veel last hadden van de extreme kou, en dat de brandweer zijn uiterste best deed om de gevolgen van deze overlast te beperken. Een bijzonder moment deed zich voor in 1997, toen de brandweer een olifant in Diergaarde Blijdorp met behulp van opblaasbare kussens weer op zijn benen kreeg. Helaas overleed de olifant enkele weken later alsnog. De brandweer Rotterdam geeft aan dat zij regelmatig zuurstoftoediening toepassen bij dieren die rook hebben ingeademd tijdens een brand. Bij incidenten waarbij dieren, zoals katten en honden, bewusteloos raken door rook, zet de brandweer zuurstofmaskers op de snuit van het dier om hen van voldoende zuurstof te voorzien. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van maskers in speciale hoezen die over de kop van het dier worden geplaatst en verbonden is met zuurstofflessen. Dit kan levensreddend zijn, vooral bij rook- of koolmonoxidevergiftiging, waarbij het direct toedienen van zuurstof cruciaal is voor het herstel voordat het dier naar een dierenarts wordt gebracht. Het redden van dieren tijdens rampen Veiligheidsregio’s werken tegenwoordig nauw samen met andere hulpdiensten om bij rampen, zoals overstromingen, reddingsacties voor dieren te coördineren. Een handleiding uit 2020 beschrijft de stappen van het reddingsproces en benadrukt dat hulpdiensten moeten weten hoeveel dieren zich in een gebied bevinden en welke evacuatie- en schuilplaatsen beschikbaar zijn. Hoewel de zelfredzaamheid van dieren op deze locaties een belangrijke rol speelt, blijft de verantwoordelijkheid voor het welzijn van huisdieren bij de eigenaren berusten. Daarom is het essentieel om vooraf te controleren of evacuatieplekken geschikt zijn voor huisdieren. De noodzaak van een structurele en uniforme aanpak is in 2024 opnieuw onderstreept met de oprichting van de projectgroep 'Hulpverlening aan Dieren bij Rampen en Crises.' Deze projectgroep werd opgezet na recente crises, zoals de overstromingen in Zuid-Limburg, olievervuiling in Rotterdam en de opvang van Oekraïense vluchtelingen, die duidelijk maakten dat Nederland nog onvoldoende voorbereid is op hulp aan dieren in nood. De crisisaanpak verschilt sterk per regio en er is vaak onvoldoende afstemming tussen de hulpdiensten en dierenhulporganisaties, zoals de Dierenbescherming en de Dierenambulance. Met de in 2023 aangenomen motie-Wassenberg heeft de Tweede Kamer opgeroepen tot uniforme richtlijnen voor dierenhulpverlening bij rampen, wat vraagt om een multidisciplinaire aanpak. Erwin te Bokkel, afdelingsmanager Repressieve Brandweerzorg bij de Veiligheidsregio Gelderland Midden, vertegenwoordigt de veiligheidsregio’s in de stuurgroep van het project. Zijn belangstelling voor dit onderwerp komt voort uit zijn achtergrond als boerenzoon en zijn werkgebied in een landelijke regio, waar de brandweer regelmatig vee moet redden met speciale hijstechnieken. Samen met een veearts organiseren de hulpdiensten daar oefeningen om voorbereid te zijn op verschillende noodsituaties voor dieren. Erwin merkt op dat de brandweer ervaring heeft met het redden van dieren en protocollen en procedures volgt, maar dat nazorg, opvang en evacuatie nog niet goed geregeld zijn. Te Bokkel benadrukt dat vooral de politiek aandringt op een verbeterde samenwerking tussen hulpdiensten en dierenhulporganisaties. Hoewel de hulpdiensten al multidisciplinair werken, is van standaard samenwerken met dierenhulporganisaties nog geen sprake waardoor bij calamiteiten vaak onduidelijk is wie kan worden ingeschakeld. Om dit probleem aan te pakken, hebben dierenhulporganisaties zich verenigd in de stichting ‘Dieren in Rampen’, om als centraal aanspreekpunt te kunnen fungeren, vergelijkbaar met de andere hulpinstanties. Ook is een gezamenlijke website gelanceerd. Het project richt zich op negen verschillende diergroepen en heeft specifieke aandacht voor dieren, zoals huisdieren, waarvoor vaak nog geen crisisvoorbereidingen bestaan. Het uiteindelijke doel is om een uniforme aanpak te ontwikkelen en landelijke richtlijnen op te stellen voor de hulpverlening aan dieren bij verschillende rampen, van dierziekten tot natuurbranden. Hierbij ligt een deel van de verantwoordelijkheid ook bij diereneigenaren zelf; zij worden aangemoedigd om voorbereidingen te treffen voor noodgevallen, zoals brand, en plannen te maken voor de verzorging en veiligheid van hun huisdieren. Door landelijke richtlijnen en afspraken te ontwikkelen over paraatheid, training, kennisdeling en coördinatie, is de hoop dat door middel van het project meer dierenlevenskunnen worden gered. De komende jaren wordt gestreefd naar implementatie in minstens tien veiligheidsregio’s, waarbij de samenwerking tussen veiligheidsregio’s, dierenhulporganisaties en burgers wordt versterkt om dieren in nood sneller en beter te helpen. Medio februari 2025 worden de resultaten van de projectgroep tijdens een congres gedeeld. [afb] 21 Een koe is door het rooster in de wei te Blankenham gezakt en kwam daardoor vast te zitten in een mestput. De brandweer bevrijdde het dier met behulp van een veetakel. Foto Wilbert Bijzitter. de Stentor (6 oktober 2016). Besluit De geschiedenis van het redden van dieren door de brandweer laat enerzijds een lange periode van het gebruik van dezelfde hulpmiddelen zien en anderzijds hoe de reddingtechnieken en prioriteiten in de jaren daarna steeds veranderden. Innovaties, zoals het Sincktoestel en uitvindingen voor snelle evacuatie bij stalbranden, hebben een blijvende invloed gehad op de ontwikkeling van gespecialiseerde reddingsmiddelen. De veetakel, nu voorzien van moderne materialen en techniek, is een onmisbaar hulpmiddel geworden voor het veilig ophijsen van grote dieren uit benarde situaties en is aanwezig bij vele brandweerkorpsen. De evolutie van hulpmiddelen, van het Sincktoestel naar de moderne veetakel, illustreert hoe de brandweer zich voortdurend aanpast en innoveert, anticiperend en reagerend op veranderende uitdagingen en behoeften. Tegenwoordig is de brandweer breder opgeleid en bestaan er gespecialiseerde teams en moderne hulpmiddelen om dieren in nood te redden. Daarnaast is de kennis over het gedrag van dieren in noodsituaties een integraal onderdeel van de huidige aanpak, net als preventieve maatregelen om ongelukken te voorkomen. Het redden van dieren is echter geen eenvoudige taak. Het vereist niet alleen de juiste materialen en opleiding, maar ook voorbereiding op mogelijke noodsituaties die zich in verschillende regio’s kunnen voordoen. Het delen van kennis over preventieve maatregelen en het benadrukken van de verantwoordelijkheid van diereneigenaren kan bijdragen aan het verminderen van dierenleed. Dankzij de voortdurende verbeteringen in opleiding en techniek is de brandweer vandaag de dag beter uitgerust om zowel grote als kleine dieren in noodsituaties te redden. Bij de brandweer is vandaag de dag de nodige aandacht voor het redden van zowel mensen als dieren in crisissituaties. Deze voortdurende ontwikkeling weerspiegelt een bredere maatschappelijke verschuiving richting meer verantwoordelijkheid voor dierenwelzijn. Het redden van dieren is dus niet iets waarbij we ‘de kat uit de boom moeten kijken,’ maar een gedeelde verantwoordelijkheid die vraagt om goede voorbereiding en de juiste middelen. Summary This article discusses how the fire brigade has developed over the years to rescue animals. From the first official manuals in 1955 to modern rescue operations, the tools and techniques for rescuing animals, such as horses and livestock, have changed significantly. Innovations like the Sinck device played an important role in rescuing animals from canals and formed the basis for contemporary techniques. Fire brigades now have modern lifting devices and specialized teams to safely assist animals. Training and knowledge sharing about animal behavior and safety during rescue operations have contributed to the professionalization of these rescues. Experienced trainers and fire brigade officials are committed to improving the skills of firefighters and provide specialized instructions on how to best rescue animals in distress. Prevention remains essential, such as installing proper fencing and water troughs to prevent accidents. The fire brigade also collaborates with animal organizations to structurally and effectively organize animal rescues. Netherlands Fire Service, fire brigade, pet rescue, animal rescue,